Bij een patiënt met complexe psychiatrische problematiek, zag de door de arts geraadpleegde onafhankelijk psychiater ECT nog als behandelmogelijkheid. De arts besprak deze aanbeveling van de onafhankelijk psychiater met patiënt. De patiënt zag hier gemotiveerd van af en de arts kon dit ook begrijpen. De commissie oordeelt dat de arts, ondanks de conclusie van de onafhankelijk psychiater, overtuigd kon zijn dat het lijden van patiënt uitzichtloos was en er geen redelijke andere oplossing was voor zijn situatie.

Introductie van het praktijkvoorbeeld

Patiënt, een man tussen de 50 en 60 jaar, had een licht verstandelijke beperking. Er was sinds ongeveer zes jaar voor het overlijden sprake van een recidiverende depressieve stemmingsstoornis. Ook was bij hem sprake van een posttraumatische stressstoornis en ADHD. Daarnaast kampte patiënt met verslavingsproblematiek.

Patiënt brak in zijn tienerjaren  zijn arm, maar de breuk was nooit goed hersteld waarna er dystrofie optrad. Hij heeft zijn arm nooit meer kunnen gebruiken. Patiënt kon niet werken en had veel pijn. Hij kreeg te maken met stemmingsstoornissen en ontwikkelde uiteindelijk meerdere verslavingen. Zo raakte hij verslaafd aan alcohol, waarvoor hij in het verleden meerdere keren behandelingen had ondergaan. Het lukte patiënt niet om helemaal te stoppen met alcohol en dronk uiteindelijk nog zeer matig alcohol. Op latere leeftijd raakte hij verslaafd aan pijnstillers. Nadat zijn huisarts het gebruik hiervan had teruggeschroefd, ontwikkelde patiënt psychoses. Vijf jaar voor het overlijden kwam hij hiervoor in beeld bij de geestelijke gezondheidszorg en onder behandeling bij de arts. Zijn pijnstillerverslaving werd teruggeschroefd naar een matige dosering, maar het lukte hem niet om hier volledig mee te stoppen. Patiënt bleef verslavingsgevoelig. Het lukte hem al langere tijd niet om nog enig perspectief in zijn leven te zien. Patiënt had al jaren een doodswens en zag geen mogelijkheden meer tot verandering en verbetering. Een stem in zijn hoofd vertelde hem continu dat hij een einde aan zijn leven moest maken door voor de trein te springen. Patiënt wilde niet op deze manier een einde aan zijn leven maken, maar als de stem te heftig werd, sloeg hij met zijn arm op de muur om de stem te onderdrukken.

Patiënt was in het verleden langdurig klinisch opgenomen geweest. Ook had hij meerdere behandelingen ondergaan, zoals psychomotore therapie, cognitieve gedragstherapie en EMDR. Patiënt had ook verschillende antidepressiva geprobeerd, maar zonder succes. Gebruikelijke depressiebehandelingen en behandelingen voor zijn PTSS hadden onvoldoende resultaat. Het plan was om te starten met een MAO-remmer, maar patiënt had hier een te hoge bloeddruk voor. De ingezette therapieën gaven enige verbetering, maar niet voor langere tijd. Na zijn klinische opname werd patiënt in een begeleid wonen-vorm geplaatst en kreeg hij dagbesteding in de vorm van verzorging van dieren. Hij nam een hond in huis en kreeg vriendschappelijk contact met een vrouw, maar ook dit zorgde er niet voor dat hij weer perspectief in zijn leven zag.

Patiënt sprak tijdens zijn klinische opname, bijna vier jaar voor het overlijden, voor het eerst over zijn euthanasiewens. Hij besprak dit voor het eerst met de arts zo’n tweeënhalfjaar voor het overlijden. Ongeveer anderhalf jaar voor het overlijden verzocht hij concreet om de daadwerkelijke uitvoering van de levensbeëindiging en herhaalde dit vervolgens in de gesprekken die volgden.

De arts raadpleegde een onafhankelijk psychiater voor een beoordeling van de diagnose, de wilsbekwaamheid ter zake en de aanwezigheid van behandelmogelijkheden. Hij onderzocht patiënt vier maanden voor het overlijden. Ook raadpleegde de arts een consulent als onafhankelijk SCEN-arts. Deze bezocht patiënt ongeveer een maand voor het overlijden.

De arts heeft de levensbeëindiging op verzoek uitgevoerd met de middelen, in de hoeveelheid en op de wijze als aanbevolen in de KNMG/KNMP Richtlijn Uitvoering euthanasie en hulp bij zelfdoding van september 2021.

Overwegingen

Aan de hand van de feiten en omstandigheden ontleend aan het dossier en voor zover relevant overweegt de commissie als volgt.

Beslissing

De arts heeft gehandeld overeenkomstig de zorgvuldigheidseisen bedoeld in artikel 2, eerste lid, Wtl.