Patiënte verbleef met een zorgmachtiging in een GGZ-instelling. Dit betekent dat zij te maken had met een gedwongen kader. De commissie heeft daarom stilgestaan bij de vraag of de vrijheidsbeperkende maatregelen van invloed waren op haar euthanasieverzoek. De commissie oordeelt dat het gedwongen kader de vrijwilligheid van haar verzoek niet in de weg stond. Ook oordeelt de commissie dat de arts grote behoedzaamheid in acht heeft genomen.

NB: Om herleidbaarheid te voorkomen zijn bepaalde passages uit dit oordeel gehaald. U leest hier daarom een aangepast oordeel. De arts die de euthanasie heeft uitgevoerd heeft het volledige oordeel ontvangen.

Introductie van het praktijkvoorbeeld

Bij patiënte, een vrouw van tussen de 20 en 30 jaar, was sprake van schizofrenie. Ook was zij gediagnosticeerd met complexe PTSS. Bij haar was ook sprake van een licht verstandelijke beperking. Patiënte verbleef ten tijde van het euthanasietraject met een zorgmachtiging in een psychiatrische instelling.

Patiënte had vanaf haar vroege jeugd ontwikkelingsproblemen. Bij patiënte was een separatie-angststoornis vastgesteld. Ook werden er psychotische symptomen waargenomen en zij werd uiteindelijk meerdere keren klinisch opgenomen in een gedwongen kader. Tijdens de vele en langdurige opnames binnen de jeugdGGZ en de gesloten jeugdzorg maakte patiënte veel gebeurtenissen mee die voor haar zeer traumatisch waren. Z Deze periode droeg bij aan het ontstaan van de complexe PTSS bij patiënte. De psychotische symptomen bij patiënte bestonden uit het horen van stemmen en het zien van beelden van mensen die haar kamer binnenkwamen. Patiënte ontwikkelde een verklarend waansysteem, waarbij de stemmen samenwerkten om haar te beïnvloeden om zichzelf iets aan te doen. Onder invloed van deze stemmen slikte zij regelmatig spullen in. Aanvankelijk werd gedacht aan een borderline persoonlijkheidsstoornis omdat een psychose niet voldoende bewezen werd geacht, maar sinds twee jaar voor het overlijden werd de hoofddiagnose veranderd in schizofrenie, omdat er na hernieuwde diagnostiek sprake bleek van een lang bestaand psychotisch beeld met akoestische, imperatieve hallucinaties. Ook was er sprake van achterdocht en beïnvloedingswanen, desintegratie en een gestoorde impulscontrole.

Patiënt kwam ruim vier jaar voor het overlijden gedwongen in behandeling bij een psychiatrische instelling vanwege ernstig zelfbeschadigend gedrag. Haar jarenlang bestaande doodswens leidde in de jaren voorafgaand aan het overlijden tot veel risicovolle situaties. Patiënte verbleef in de psychiatrische instelling onder 24-uurs cameratoezicht. Ook werd de inrichting van haar kamer op geleide van haar toestandsbeeld op- en afgeschaald. Bij patiënte werd continu ingezet op het voorkomen van suïcide en het beperken van het risico op zelfbeschadiging.

Patiënte besprak haar euthanasieverzoek ruim tweeënhalf jaar voor het overlijden voor het eerst met de arts, haar behandelend psychiater. Zij had toen al bijna acht jaar een doodswens. Ongeveer acht maanden voor het overlijden kwam zij met een concreet verzoek en vroeg zij om de daadwerkelijke uitvoering van de levensbeëindiging.

De arts raadpleegde in het euthanasietraject meerdere deskundigen. Zij heeft een wilsbekwaamheidsbeoordeling door zowel een psychiater als een klinisch psycholoog laten uitvoeren. Deze beoordeling vond ongeveer zes maanden voor het overlijden plaats. Voor een beoordeling van de diagnose, de wilsbekwaamheid en het bestaan van redelijke behandelmogelijkheden raadpleegde de arts een onafhankelijk psychiater. De onafhankelijk psychiater bezocht patiënte ongeveer een maand voor het overlijden. Ook raadpleegde de arts een onafhankelijk arts voor verstandelijk gehandicapten. Zij bezocht patiënte eveneens ongeveer een maand voor het overlijden. Daarnaast raadpleegde de arts als consulent een onafhankelijk SCEN-psychiater, die patiënte bijna twee weken voor het overlijden bezocht.

De arts heeft de levensbeëindiging op verzoek uitgevoerd met de middelen, in de hoeveelheid en op de wijze als aanbevolen in de KNMG/KNMP Richtlijn Uitvoering euthanasie en hulp bij zelfdoding van september 2021.

Overwegingen

Aan de hand van de feiten en omstandigheden ontleend aan het dossier en voor zover relevant overweegt de commissie als volgt.

Beslissing

De arts heeft gehandeld overeenkomstig de zorgvuldigheidseisen bedoeld in artikel 2, eerste lid, Wtl.