De arts raadpleegde bij een patiënte met psychisch lijden zowel een onafhankelijk psychiater als een SCEN-psychiater. De SCEN-psychiater bezocht de patiënte bijna twee jaar voor het overlijden. Nadat de arts aan de SCEN-psychiater vanwege het lange tijdsverloop vroeg om een herbeoordeling, gaf de SCEN-psychiater aan dit niet nodig te vinden. De arts raadpleegde hierop een tweede onafhankelijk psychiater.

De arts heeft grote behoedzaamheid betracht door zich te laten spiegelen door een tweede onafhankelijk psychiater, nadat de SCEN-psychiater aangaf een nieuwe beoordeling niet nodig te vinden. De commissie had het wenselijker gevonden als de SCEN-psychiater een addendum had geschreven.

Introductie van het praktijkvoorbeeld

Bij patiënte, een vrouw tussen de 30 en 40 jaar, was sprake van een ernstige obsessieve-compulsieve stoornis bij een psychomotore ontwikkelingsachterstand en een pervasieve ontwikkelingsstoornis. Daarnaast was bij haar sprake van een autismespectrumstoornis. Bij patiënte werd ook een verlaagd IQ gemeten, functionerend op het niveau van een licht verstandelijke beperking.

Patiënte ontwikkelde in haar vroege leven al een psychomotore ontwikkelingsachterstand en zij kreeg te maken met stemmingsklachten. Zo’n negentien jaar voor haar overlijden raakte zij bekend bij hulpinstanties en kreeg vanaf dat moment nagenoeg ononderbroken behandeling en begeleiding ter bevordering van dagbesteding, sociale contacten, wonen en leren. Dit alles had onvoldoende resultaat opgeleverd.

Patiënte voerde dagelijks een strijd tegen haar dwanggedachten. Zij zat de gehele dag angstig en neerslachtig op de bank in het huis van een naaste, met een gevoel van leegte en onvermogen om te genieten. Zij vond haar leven doelloos en zinloos. Door haar dwangstoornis was zij niet in staat om zelfstandig iets te ondernemen. Zij moest in alles gesteund en gecontroleerd worden door haar naasten. Ook was zij niet meer in staat om alleen thuis te zijn. Patiënte durfde uit angst om spullen te verliezen haar eigen kamer niet meer binnen te gaan en sliep dan ook bij haar moeder in bed. Het lukte haar alleen om naar buiten te gaan in gezelschap van een naaste en kon dan niet over het gras lopen, omdat zij te angstig was dat zij iets zou verliezen dat in het gras niet zichtbaar zou zijn. Het lukte patiënte wel om alleen naar het toilet te gaan, maar moest haar naasten na afloop laten controleren of er niets verloren was gegaan. Haar naasten moesten patiënte ook eten of drinken aanreiken, omdat zij vanwege haar dwanggedachten niets uit zichzelf kon nemen. Patiënte kon niet anders meer dan hele dagen op de bank doorbrengen en televisie kijken, tot meer was zij niet meer in staat.

Ruim vier jaar voor het overlijden had patiënte om euthanasie gevraagd. Patiënte had zich toen bij het Expertisecentrum Euthanasie (EE) aangemeld, omdat haar eigen huisarts zich niet in staat achtte euthanasie uit te voeren bij psychiatrische problematiek. Zij had toen al langere tijd een doodswens. De arts sprak zo’n twee jaar voor het overlijden voor het eerst met patiënte. Tijdens dit eerste gesprek verzocht patiënte concreet om de uitvoering van de levensbeëindiging op verzoek. Dit verzoek herhaalde zij in de daaropvolgende vier gesprekken. Patiënte had met de arts afgesproken haar organen te willen doneren. Enkele dagen voor de geplande uitvoering van de euthanasie had patiënte zich teruggetrokken. Patiënte raakte van streek door de procedure rondom orgaandonatie en zij realiseerde zich op dat moment onvoldoende dat zij nog steeds euthanasie kon krijgen zonder haar organen te doneren. Nadat het misverstand aan het licht kwam en patiënte aangaf dat haar euthanasiewens onveranderd was gebleven, werd het euthanasietraject weer opgestart. De arts had patiënte vervolgens nog zes keer gesproken waarin zij haar verzoek herhaalde.

De arts raadpleegde een onafhankelijk psychiater voor een beoordeling van de diagnose, de wilsbekwaamheid ter zake en de aanwezigheid van behandelmogelijkheden. Hij onderzocht patiënte voorafgaande aan de eerder geplande euthanasie bijna twee jaar voor de daadwerkelijke uitvoering van de levensbeëindiging. Ongeveer acht maanden voor het overlijden bezocht hij patiënte opnieuw. Ook raadpleegde de arts als consulent een onafhankelijke SCEN-psychiater. Deze bezocht patiënte bijna twee jaar voor de daadwerkelijke uitvoering van de levensbeëindiging. De arts heeft enkele maanden voor het overlijden de consulent opnieuw benaderd. Na een telefonisch gesprek met patiënte had deze zijn conclusies per mail gerapporteerd aan de arts, maar was niet bereid om een gedateerde aanvulling op zijn eerdere verslag te maken.

De arts benaderde daarop de KNMG om een andere SCEN-psychiater aan te vragen. Nadat opnieuw dezelfde consulent werd gevraagd en deze bij zijn standpunt bleef dat een mail, waarin hij meldde dat er niets veranderd was, voldoende moest zijn, benaderde de arts een andere psychiater als tweede onafhankelijk psychiater. Die bezocht patiënte anderhalve maand voor het overlijden.

De arts heeft de levensbeëindiging op verzoek uitgevoerd met de middelen, in de hoeveelheid en op de wijze als aanbevolen in de KNMG/KNMP Richtlijn Uitvoering euthanasie en hulp bij zelfdoding van september 2021.

Overwegingen

Aan de hand van de feiten en omstandigheden ontleend aan het dossier en voor zover relevant overweegt de commissie als volgt.

Beslissing

De arts heeft gehandeld overeenkomstig de zorgvuldigheidseisen bedoeld in artikel 2, eerste lid, Wtl.