In deze melding heeft de arts een euthanasie uitgevoerd bij een patiënte met vergevorderde dementie. De patiënte was ten tijde van de uitvoering van de euthanasie wilsonbekwaam. De arts heeft zich gebaseerd op de schriftelijke wilsverklaring conform art. 2 lid 2 Wtl. Vanwege de wilsonbekwaamheid van de patiënte heeft de commissie uitgebreid stilgestaan bij de invulling van alle zorgvuldigheidseisen. De commissie komt tot het oordeel dat de arts volgens de zorgvuldigheidseisen heeft gehandeld.

NB: Om herleidbaarheid te voorkomen zijn bepaalde passages uit dit oordeel gehaald. U leest hier daarom een aangepast oordeel. De arts die de euthanasie heeft uitgevoerd heeft het volledige oordeel ontvangen.

Introductie van het praktijkvoorbeeld

Bij patiënte, een vrouw van tussen de 60 en 70 jaar, werd ongeveer acht jaar voor het overlijden Fronto Temporale Dementie (hierna: FTD) vastgesteld. Sinds veertien maanden verbleef patiënte in een kleinschalige woonvorm voor jonge mensen met dementie.

Patiënte was gedurende haar leven een zelfstandige vrouw. Zij was verzorgd, flamboyant, vrolijk en opgewekt van aard en genoot van haar gezin en het maken van uitstapjes met haar vriendinnen. Ze was altijd in voor een praatje. In haar leven stond de zorg voor een ander centraal. Meerdere familieleden hadden FTD die intensief werd begeleid door patiënte.

Hoewel patiënte nog geen verschijnselen van FTD had, wilde zij ongeveer acht jaar voor het overlijden weten of zij de genetische mutatie had die deze ziekte veroorzaakt. Nader onderzoek wees uit dat ook zij drager bleek te zijn. Patiënte wilde vanaf dat moment controle over haar toekomst. Zij wenste uitdrukkelijk niet de gevolgen van deze ziekte, die zij meermaals van zo dichtbij had moeten meemaken, zelf mee te maken. Acht jaar voor het overlijden stelde patiënte haar schriftelijke wilsverklaring op en bevestigde deze jaarlijks bij haar huisarts.

Ongeveer zes jaar voor het overlijden ging patiënte door een zware periode in haar leven. Patiënte kreeg steeds meer moeite met het uitvoeren van werk gerelateerde zaken, werd somber en een burn-out zou hieraan ten grondslag liggen. Er trad geen verbetering op en dat was het moment waarop patiënte ging twijfelen of de dementie wellicht tot uiting aan het komen was. Ongeveer drie jaar voor het overlijden ging haar cognitieve functioneren verder achteruit en werd de diagnose FTD gesteld. In de maanden die volgden, raakte zij de grip op haar leven steeds meer kwijt en raakte zij vaker verdrietig en gefrustreerd. Patiënte was steeds minder in staat een inhoudelijk gesprek te voeren en uiteindelijk bleek zinvolle communicatie onmogelijk geworden.

De inmiddels wilsonbekwame patiënte werd ongeveer twee jaar voor het overlijden aangemeld bij het Expertisecentrum Euthanasie (hierna: EE). Patiënte kon niet meer betekenisvol met de arts en het EE-team communiceren. Het team observeerde patiënte meermaals en sprak met naasten en verzorgenden. Patiënte bleek in een vergevorderd stadium van dementie te verkeren waarbij er geen ziektebesef of ziekte-inzicht meer was. Er was echter geen sprake van ondraaglijk lijden en het EE-team bleef op de achtergrond in contact met de naasten. Na nog enkele ‘goede’ maanden met zorg van haar naasten en thuiszorg werd, acht maanden voor het overlijden, opname in een kleinschalige woonvorm voor mensen met dementie onvermijdelijk.

Patiënte was dermate hulpbehoevend geworden dat zorg door naasten en thuiszorg niet meer verantwoord was. Het EE-team kwam weer in beeld op verzoek van de naasten. Deze zagen dat de lijdensdruk van patiënte steeds meer toenam.

Het EE-team observeerde patiënte meermaals en sprak met de familie en de zorgverleners over het lijden van patiënte. Ook werd vier maanden voor het overlijden het lijden van patiënte besproken in een ethisch beraad waaraan de naasten van patiënte, alle bij haar zorg betrokken disciplines en een ethicus verbonden aan EE deelnamen. Duidelijk werd dat patiënte was veranderd in een boze en aangeslagen vrouw die steeds vaker zorg weigerde, niet comfortabel, onrustig en verdrietig was. Patiënte was niet meer bij machte haar gevoel in woorden te vatten maar uitte haar radeloosheid door boosheid en in het vele ontroostbare huilen. Er was nauwelijks meer sprake van positieve momenten.

De kinderen van patiënte zagen hun moeder in een situatie die patiënte absoluut niet zou hebben gewild. Zij brachten de schriftelijke wilsverklaring van patiënte onder de aandacht van de arts en vroegen om uitvoering daarvan.

Als consulent raadpleegde de arts een onafhankelijk SCEN-arts die tevens specialist ouderengeneeskunde was. Hij bezocht patiënte ongeveer elf weken voor het overlijden. De arts raadpleegde bovendien vanwege de wilsonbekwaamheid van patiënte een andere specialist ouderengeneeskunde als onafhankelijk deskundige. Deze bezocht patiënte ongeveer zes weken voor het overlijden.

De arts heeft de levensbeëindiging op verzoek uitgevoerd met de middelen, in de hoeveelheid en op de wijze als aanbevolen in de KNMG/KNMP Richtlijn Uitvoering euthanasie en hulp bij zelfdoding van september 2021.

Overwegingen van de commissie

Aan de hand van de feiten en omstandigheden ontleend aan het dossier en voor zover relevant overweegt de commissie als volgt.

Beslissing

De arts heeft gehandeld overeenkomstig de zorgvuldigheidseisen bedoeld in artikel 2, eerste en tweede lid, Wtl.