Het uitgangspunt van de RTE is dat een onafhankelijk deskundige een patiënt alleen ziet en spreekt om in alle onpartijdigheid en onafhankelijkheid tot een oordeel te vormen over de wilsbekwaamheid van de patiënt ter zake van het verzoek, de uitzichtloosheid van het lijden en het al dan niet ontbreken van een redelijke andere oplossing. Soms kunnen er omstandigheden zijn die een afwijking van dit standpunt rechtvaardigen. In de onderstaande zaak heeft de commissie maatwerk toegepast, vanwege de zeer specifieke omstandigheden van het geval.

Een patiënte met zenuwpijnen en een angst- en depressiestoornis verzocht om euthanasie. De arts raadpleegde een psychiater als onafhankelijk deskundige vanwege de psychische klachten van de patiënte. De arts was aanwezig bij het gesprek dat de psychiater met de patiënte voerde. Na een nadere toelichting van de arts, komt de commissie tot het oordeel dat de arts een juiste medisch-professionele inschatting heeft gemaakt door bij het gesprek aanwezig te zijn. De commissie is ervan overtuigd geraakt dat de aanwezigheid van de arts bij het gesprek, onder deze specifieke omstandigheden niet van invloed is geweest op het oordeel van de psychiater en dat de psychiater een onafhankelijk oordeel heeft kunnen vormen. De arts heeft met dit onafhankelijke oordeel goed kunnen reflecteren op haar voorgenomen handelen en daarmee met grote behoedzaamheid gehandeld.

Introductie van het praktijkvoorbeeld

Bij de patiënte, een vrouw van tussen de 60 en 70 jaar, was sprake van een therapieresistente angst- en depressiestoornis. Daarnaast leed de patiënte aan zenuwpijn in het rechterbeen, als restklacht na een doorgemaakt posterieur reversibel encefalopathie syndroom (PRES). Vanwege mobiliteits- en cognitieve problemen werd de patiënte ruim drie jaar voor haar overlijden opgenomen in een verpleeghuis.

De patiënte leed sinds haar tienerjaren aan angst- en paniekklachten. In de loop der jaren ontwikkelde zich daarnaast een depressieve stoornis. De patiënte is gedurende tientallen jaren psychiatrisch behandeld, waarbij zij zowel poliklinisch als klinisch werd begeleid en diverse medicamenteuze behandelingen onderging. Gedurende bepaalde perioden slaagde zij erin ondanks haar klachten enige invulling aan het leven te geven, mede dankzij de steun van haar echtgenoot.

Na het overlijden van haar echtgenoot en het doormaken van een cerebro vasculair accident (CVA) en PRES verslechterde haar toestand aanzienlijk. De patiënte leed sindsdien in toenemende mate aan hevige angstklachten, die zich onder meer uitten in hartkloppingen, zweten en trillen, ook ’s nachts, waardoor zij slecht sliep. Zij vreesde bovendien voortdurend voor nieuwe angstaanvallen. De combinatie van deze voortdurende angst, pijnklachten en verlies van mobiliteit maakte dat zij haar situatie niet langer kon verdragen. Zij leed onder het gebrek aan perspectief op verbetering van haar situatie. De patiënte vond het leven onder deze omstandigheden voor haarzelf niet meer zinvol.

De patiënte sprak met de arts en met de verzorgenden van het verpleeghuis over haar euthanasieverzoek. De arts heeft meerdere malen uitvoerig met de patiënte over haar euthanasiewens gesproken. Tijdens deze gesprekken was de patiënte consistent en overtuigend in haar euthanasiewens.

Op verzoek van de arts werd de patiënte ongeveer een maand voor het overlijden onderzocht door de geraadpleegde psychiater. De psychiater nam in haar verslag op dat de arts bij het gesprek aanwezig was. De psychiater bevestigde in haar verslag de gestelde diagnoses. Zij concludeerde dat de patiënte wilsbekwaam was ten aanzien van haar euthanasieverzoek. Daarnaast waren er volgens de psychiater geen redelijke behandelalternatieven meer voor handen, gelet op de reeds doorlopen behandelingen door de patiënte en haar persoonlijkheidskenmerken.

Voorts consulteerde de arts een onafhankelijk SCEN-arts, tevens een specialist ouderengeneeskunde, als consulent. De consulent bezocht de patiënte ongeveer een week voor het overlijden en kwam tot de conclusie dat aan de wettelijke zorgvuldigheidseisen was voldaan.

De arts heeft de levensbeëindiging op verzoek uitgevoerd met de middelen, in de hoeveelheid en op de wijze als aanbevolen in de KNMG/KNMP Richtlijn Uitvoering euthanasie en hulp bij zelfdoding van september 2021.

Overwegingen van de commissie

Aan de hand van de feiten en omstandigheden ontleend aan het dossier en voor zover relevant overweegt de commissie als volgt.

Beslissing

De arts heeft gehandeld overeenkomstig de zorgvuldigheidseisen bedoeld in artikel 2, eerste lid, Wtl.