Werkwijze commissie

Binnen 6 weken na ontvangst van de melding maakt de commissie haar oordeel aan de arts bekend. Deze termijn kan eenmaal met maximaal 6 weken worden verlengd.

Schema's werkwijze toetsing
Beeld: ©RTE
Schema's werkwijze toetsing
Beeld: ©RTE
Schema's werkwijze toetsing
Beeld: ©RTE

Selectie NVO of VO?

De commissies maken onderscheid tussen ‘niet vragen oproepende’ meldingen (NVO’s) en ‘vragen oproepende’ meldingen (VO’s).

Of er sprake is van een NVO of een VO, wordt bepaald door de vragen die een melding oproept. Deze selectie wordt uitgevoerd door een secretaris (=jurist) van de commissie. Op een checklist bij de melding noteert de secretaris wat de reden is voor selectie als NVO of VO en ook wat de bijzonderheden en aandachtspunten in de betreffende melding zijn.

Een NVO wordt digitaal voorgelegd aan een commissie, bestaande uit een jurist-voorzitter, een ethicus en een arts. De commissieleden kunnen via een beveiligd digitaal systeem onderling overleggen en de melding beoordelen. Een NVO wordt niet op een fysieke commissievergadering besproken. Een NVO wordt meestal afgedaan met een verkort standaard-oordeel, zonder (uitgebreide) casus-specifieke overwegingen. Als de commissieleden tijdens de digitale behandeling van oordeel zijn dat de als NVO geselecteerde melding toch vragen oproept, dan wordt de melding alsnog als een VO op een commissievergadering besproken.

Een VO wordt besproken tijdens een fysieke commissievergadering, waarbij de commissie ook bestaat uit een jurist-voorzitter, een ethicus en een arts. Een VO wordt meestal afgedaan met een oordeel met (meer uitgebreide) casus-specifieke overwegingen.

Binnen de RTE zijn de volgende afspraken gemaakt over de selectie als NVO of VO:

NVO:

Meldingen waarin evident aan alle zorgvuldigheidseisen is voldaan:

  1. De arts heeft de overtuiging gekregen dat er sprake was van een vrijwillig en weloverwogen verzoek van de patiënt
     
  2. De arts heeft de overtuiging gekregen dat er sprake was van uitzichtloos en ondraaglijk lijden van de patiënt
     
  3. De arts heeft de patiënt voorgelicht over de situatie waarin deze zich bevond en over diens vooruitzichten
     
  4. De arts is met de patiënt tot de overtuiging gekomen dat er voor de situatie waarin deze zich bevond geen redelijke andere oplossing was
     
  5. De arts heeft ten minste één andere, onafhankelijke arts geraadpleegd, die de patiënt heeft gezien en schriftelijk zijn oordeel heeft gegeven over de zorgvuldigheidseisen, bedoeld in de onderdelen a tot en met d
     
  6. De arts heeft de levensbeëindiging of hulp bij zelfdoding medisch zorgvuldig uitgevoerd.

    Opmerkingen hierbij:
     
  • NVO mag ook bij een patiënt met beginnende dementie als er geen enkele twijfel is over de wilsbekwaamheid van de patiënt ten aanzien van het verzoek.
     
  • NVO mag ook bij een patiënt die om euthanasie verzoekt op grond van lijden ten gevolge van een lichamelijke aandoening en die in het verleden een depressieve stoornis had, als deze stoornis goed behandeld en in remissie was en als er geen enkele twijfel is over de wilsbekwaamheid van de patiënt ten aanzien van het verzoek.
  • NVO mag ook bij duo-euthanasie als duidelijk is dat er géén sprake was van onderlinge druk van de partners op elkaar én als de arts voor ieder van de partners een andere consulent heeft geraadpleegd.

VO:

Meldingen waarin duidelijk is dat niet aan alle zorgvuldigheidseisen is voldaan of waarin twijfel is of aan alle zorgvuldigheidseisen is voldaan. Denk hierbij bijvoorbeeld aan:

  • Er is twijfel of de patiënt wilsbekwaam ter zake was.
     
  • Er is twijfel of de patiënt onder druk van anderen stond.
     
  • Er is twijfel of de patiënt een zorgvuldige afweging heeft kunnen maken op basis van voldoende informatie, voorlichting en ziekte-inzicht.
     
  • De gesprekken tussen de arts en de patiënt over euthanasie hebben zeer kort voor het overlijden voor het eerst plaatsgevonden en uit het dossier blijkt niet dat in de laatste dagen intensief contact is geweest tussen de arts en de patiënt.
     
  • Er is twijfel over de medische grondslag voor het lijden.
     
  • Er is twijfel over het ontbreken van curatieve en/of palliatieve behandelmogelijkheden.
     
  • Er is twijfel over het ontbreken van redelijke andere oplossingen voor de situatie waarin patiënt zich bevond.
     
  • Er is twijfel of de arts het lijden van patiënt invoelbaar ondraaglijk lijden vond.
     
  • De consulent concludeert dat niet aan de zorgvuldigheidseisen a t/m d is voldaan.
     
  • De conclusie van de consulent is voorwaardelijk en het is niet duidelijk of vóór de euthanasie aan de voorwaarden was voldaan.
     
  • Er is twijfel over de onafhankelijkheid van de consulent en/of de onafhankelijk deskundige ten opzichte van de arts en/of de patiënt.
     
  • Er zit een onverklaarbaar lange termijn tussen het bezoek van de consulent en de uitvoering van de euthanasie.
     
  • De arts heeft geen onafhankelijk deskundige geraadpleegd terwijl dit wel aangewezen was.
     
  • Bij de uitvoering is de arts afgeweken van de KNMG/KNMP Richtlijn Uitvoering euthanasie en hulp bij zelfdoding (2021) en dit roept vragen op.


Daarnaast zijn er de volgende ‘standaard categorieën’ voor een VO:
 

  • Uitvoering op basis van een schriftelijke wilsverklaring bij een patiënt die niet meer wilsbekwaam ter zake was (bijvoorbeeld door dementie).
     
  • De patiënt leed aan een psychische stoornis.
     
  • De patiënt had een psychische stoornis in de recente geschiedenis. VO, tenzij het gaat om een patiënt die om euthanasie verzoekt op grond van lijden ten gevolge van een lichamelijke aandoening en die een depressieve stoornis had, die goed behandeld en in remissie was, waarbij dus geen sprake meer was van een actuele depressie.
     
  • De patiënt was minderjarig.
     
  • De patiënt verkeerde in coma of in een toestand van verlaagd bewustzijn.
     
  • De patiënt had een (licht) verstandelijke beperking. In beginsel VO, tenzij er geen enkele twijfel was met betrekking tot de wilsbekwaamheid van de patiënt ten aanzien van het euthanasieverzoek en de vrijwilligheid en weloverwogenheid van het verzoek.

Toetsingscommissies niet bevoegd

In de volgende gevallen zijn de toetsingscommissies niet bevoegd:

  • Als er sprake is van normaal medisch handelen waaronder in ieder geval wordt verstaan:
    a. Het niet starten of staken van een medisch zinloze behandeling
    b. Het niet starten of staken van een medische behandeling op verzoek van de patiënt
    c. Een behandeling gericht op verlichten van ernstig lijden van de patiënt als gevolg waarvan de dood is bespoedigd
    d. Palliatieve sedatie: het opzettelijk verlagen van het bewustzijn van de patiënt om in de laatste levensfase het onbehandelbare lijden weg te nemen (alleen mogelijk bij een levensverwachting van 2 weken of minder)
  • Als al op voorhand duidelijk is dat een patiënt wilsonbekwaam is waardoor er geen vrijwillig en weloverwogen euthanasieverzoek kan worden gedaan:
    a. Omdat een patiënt jonger is dan 12 jaar (waaronder pasgeborenen)
    b. Omdat een patiënt, ouder dan 12 jaar, nooit wilsbekwaam is geweest