Uitvoerend arts aanwezig bij consultatie

Jaarverslag RTE 2025

Dementie, consulent en arts hebben feitelijk samen opgetrokken

Bij een vrouw, tussen de tachtig en negentig jaar oud, werd drie jaar voor het overlijden de ziekte van Alzheimer vastgesteld.

Het lijden

De vrouw was door haar dementie de regie over haar eigen leven kwijtgeraakt en kampte met toenemende geheugenproblemen. Het beangstigde haar dat zij niet meer wist welke dag het was. Zij verloor haar zelfstandigheid en woonde daardoor in een verpleeghuis. De vrouw vond geen aansluiting met anderen en vertelde vaak aan de verzorging dat zij niet meer verder wilde leven. Zij vond het verschrikkelijk dat zij volledig afhankelijk was geworden van de zorg door anderen en leed onder haar voortschrijdende dementie.

Het verzoek

Ruim een jaar voor het overlijden sprak zij voor het eerst over haar euthanasiewens met de arts, haar behandelend specialist ouderengeneeskunde. Naar aanleiding van dat gesprek werden er alternatieve behandelingen ingezet. Vijf weken voor het overlijden verzocht de vrouw om daadwerkelijke uitvoering van de levensbeëindiging. De arts raadpleegde een SCEN-arts als consulent. Hij bezocht de vrouw drie weken voor het overlijden.

Arts aanwezig tijdens consult

De arts was aanwezig tijdens het bezoek van de consulent. Tijdens het gesprek met de commissie had de arts toegelicht dat hij aanwezig was in het verpleeghuis toen de consulent de vrouw kwam bezoeken. Het leek de arts handig en behulpzaam om de consulent bij de vrouw te introduceren, omdat zij het door haar dementie intimiderend kon vinden als plotseling een onbekende arts op bezoek zou komen.

Er was niemand van de familie van de vrouw aanwezig, waarop de arts besloot zelf de introductie te doen. Hoewel het aanvankelijk de bedoeling was dat hij na het introduceren van de consulent de ruimte zou verlaten, besloot hij uit professionele interesse om naast de vrouw plaats te nemen terwijl de consulent met haar sprak. Dit had hij kort voorafgaand aan de consultatie afgestemd met de consulent, die de arts toestemming gaf om bij het gesprek te zitten.

Mogelijk beïnvloed door aanwezigheid arts

De arts was het gehele gesprek aanwezig. Hij was zich ervan bewust dat hij tijdens het gesprek van de vrouw en de consulent niet mocht spreken om de vrouw niet te beïnvloeden en zowel de arts als de consulent hebben verklaard dat de arts zich tijdens het gesprek afzijdig had gehouden. De arts verklaarde dat hij zich pas later had gerealiseerd dat alleen al zijn aanwezigheid de vrouw had kunnen beïnvloeden. De vrouw had namelijk een aantal keren vragend naar hem gekeken als de consulent een vraag stelde (head-turning sign). De arts had hier op het moment zelf niet bij stilgestaan.

Consulent moet onpartijdig en onafhankelijk tot een oordeel kunnen komen

De commissie overwoog dat het de bedoeling van de wet is dat de consulent een patiënt alléén ziet en spreekt en in alle onpartijdigheid en onafhankelijkheid tot een oordeel komt. De consulent moet zonder mogelijke vooringenomenheid of tunnelvisie, in alle vrijheid en zonder inmenging of bijzijn van de arts of van anderen met een patiënt kunnen praten en zijn oordeel kunnen geven of wordt voldaan aan de zorgvuldigheidseisen van de wet. De commissie oordeelde dan ook dat de arts niet aanwezig dient te zijn bij het gesprek tussen de consulent en de vrouw om de onafhankelijkheid van de consulent te waarborgen.

Het gesprek met de consulent is ook bedoeld als moment waarin een patiënt in alle vrijheid over haar euthanasieverzoek kan spreken met een arts die tot dan toe niet betrokken was bij het euthanasietraject. Een patiënt kan beïnvloed worden door de aanwezigheid van de (op dat moment voorgenomen) uitvoerend arts. De mogelijkheid van een patiënt om vrijuit te spreken over een euthanasieverzoek en eventueel daarvan af te zien, maakt ook dat de arts niet aanwezig dient te zijn tijdens het gesprek met de consulent.

Arts en consulent trokken feitelijk samen op

De commissie twijfelde niet aan de goede bedoelingen van de arts toen hij besloot de consulent te introduceren bij de vrouw, maar de arts had zich moeten realiseren dat hij na de introductie had moeten vertrekken. Dat dit zou betekenen dat de vrouw een gesprek had moeten voeren met een voor haar onbekende arts, is inherent aan het wettelijk stelsel dat een onafhankelijke beoordeling door een onbekende arts verplicht stelt. Door samen binnen te komen en aanwezig te zijn tijdens het hele gesprek met de vrouw, zijn de arts en consulent feitelijk samen opgetrokken. De consulent kon daardoor niet in alle vrijheid en zonder inmenging van de arts overtuigd raken dat aan de zorgvuldigheidseisen a t/m d was voldaan.

Non-verbale communicatie mogelijk ook beïnvloedend

De commissie kon niet uitsluiten dat de vrouw door de aanwezigheid van de arts beïnvloed was, nu de arts tijdens het hele consult aanwezig was. De commissie overwoog daarbij dat beïnvloeding ook kan plaatsvinden door middel van non-verbale communicatie, zoals aanmoedigend knikken. Daarnaast beperkt de aanwezigheid van de arts op zichzelf de vrouw al in haar mogelijkheid om vrijuit te spreken.

Hoewel de arts zich tijdens de mondelinge toelichting open en toetsbaar opstelde en aangaf hiervan te hebben geleerd, kon de commissie niet anders dan concluderen dat door de gang van zaken niet kon worden gesproken van een onafhankelijke beoordeling in de zin dat hij niet tenminste één andere, onafhankelijke arts heeft geraadpleegd.

De commissie merkte nog op dat de geraadpleegde consulent zich er onvoldoende bewust van was geweest dat door de aanwezigheid van de arts tijdens zijn gesprek met de vrouw, zijn onpartijdigheid en onafhankelijkheid in het geding waren gekomen. Het had voor de hand gelegen dat hij dit aan de arts had aangegeven en hem niet had toegestaan bij het gesprek aanwezig te zijn.

Verder oordeelde de commissie dat de arts wel had voldaan aan de overige zorgvuldigheidseisen.

Deze melding is op de website te vinden onder nummer 2025-003.