Geen onafhankelijke psychiatrische expertise ingeroepen

Jaarverslag RTE 2025

Complexe PTSS en autismespectrumstoornis

Een vrouw, tussen de vijftig en zestig jaar oud, had al lange tijd een complexe posttraumatische stressstoornis (PTSS). Ook was bij haar zes jaar voor het overlijden een autismespectrumstoornis (ASS) vastgesteld.

Behandelaar verzocht om een update van de second opinion

De vrouw uitte in eerste instantie haar euthanasiewens bij haar toenmalig behandelaar. Deze toenmalig behandelaar was bereid om de euthanasiewens van de vrouw te onderzoeken en schakelde daarom een psychiater in voor een second opinion. Deze second-opinion psychiater beoordeelde de vrouw en schreef een verslag. Vervolgens vertrok de toenmalig behandelaar van de vrouw naar een andere werkgever, waardoor het euthanasietraject stopte.

De nieuwe behandelaar van de vrouw vroeg de arts, een psychiater die ervaring heeft met euthanasieverzoeken, om zich te buigen over de nog steeds bestaande euthanasiewens van de vrouw. Omdat de vrouw zich stellig verzette tegen een nieuwe beoordeling door een andere psychiater en alle betrokkenen dit als te belastend zagen voor de vrouw, besloten zij opnieuw de hulp van de second-opinion psychiater te vragen.

De second-opinion psychiater werd door de huidige behandelaar gevraagd voor deze vernieuwde beoordeling, omdat de arts en de second-opinion psychiater nauwe relaties met elkaar onderhielden. Zij kenden elkaar namelijk en werkten veel samen. Drie maanden voor het overlijden onderzocht de second-opinion psychiater de vrouw voor de tweede keer. Hij richtte zijn bevindingen aan de behandelaar die hem had benaderd. De arts had met de second-opinion psychiater geen contact gehad over de vrouw.

De arts verklaarde dat zij niet over deze ‘casus’ met de second-opinion psychiater had gesproken. De beknopte bevestiging van de second-opinion psychiater dat hij bij zijn eerdere beoordeling bleef, ontving de arts van de behandelaar die contact met de second-opinion psychiater had gehad.

Onafhankelijk psychiater

In deze situatie was onmiskenbaar sprake van een relatie tussen de arts en de second-opinion psychiater, zowel beroepsmatig als persoonlijk. Dit was voor de arts reden om de behandelaar om de update van de second opinion te laten vragen. In haar verslag aan de toetsingscommissie had de arts vermeld dat zij de second-opinion psychiater privé en professioneel kende. Vanwege de beperkte belastbaarheid van de vrouw koos zij er samen met de behandelaar voor om geen andere psychiater te raadplegen voor een second opinion. De arts had nadien een schriftelijke toelichting van de second-opinion psychiater aan de commissie gezonden waaruit kort gezegd volgde dat hij bij zijn eerste beoordeling van de vrouw zo goed als zeker niet wist dat de arts de uitvoerend arts zou worden. De update was aangevraagd door de behandelaar van de vrouw en hij kon zich niet herinneren of hij in de veronderstelling was dat de behandelaar ook de uitvoerend arts zou zijn, of dat hij toen wist dat de arts dat zou zijn. Omdat de behandelaar het aanvroeg en omdat het een update was van een eerdere second opinion, had de second-opinion psychiater zich daar ook niet mee bezig gehouden.

De commissie overwoog dat de eis van onafhankelijkheid inhoudt dat de psychiater die de second opinion doet een eigen oordeel kan geven. De commissie stelde niet vast dat de second-opinion psychiater bij zijn eerste beoordeling of bij de update daarvan, wist dat juist deze arts de euthanasie zou uitvoeren. De commissie concludeerde daarom dat de second-opinion psychiater in staat was een eigen oordeel te geven. In zoverre had de arts naar het oordeel van de commissie voldaan aan de eis dat zij een onafhankelijk psychiater diende te raadplegen over de wilsbekwaamheid (vrijwilligheid en weloverwogenheid) ter aanzien van het verzoek van de vrouw, over de uitzichtloosheid van het lijden en over het ontbreken van redelijke alternatieven.

Inroepen psychiatrische expertise

De commissie zag zich vervolgens voor de vraag gesteld of bij de beschreven gang van zaken het doel van het inroepen van psychiatrische expertise werd bereikt, te weten dat voor de nodige grote behoedzaamheid de arts zich goed laat voorlichten en kritisch reflecteert op de eigen overtuiging. Daadwerkelijk rechtstreeks contact tussen de uitvoerend arts en de psychiater die de second opinion uitvoert is een wezenlijk element van een kritische reflectie op de eigen bevindingen van de arts, zoals ook volgt uit de EuthanasieCode 2022. Het kan voorkomen dat een ander dan de uitvoerend arts de second opinion van een psychiater aanvraagt, maar in dat geval mag worden verwacht dat de arts ten minste dat rechtstreekse contact zoekt met de geraadpleegde psychiater om zijn bevindingen te bespreken in het licht van de eigen overtuiging van de arts.

De commissie oordeelde dat de arts in dit geval niet voldoende kritisch had gereflecteerd, dan wel had kunnen reflecteren op de eigen overtuiging, omdat de arts en de second-opinion psychiater geen daadwerkelijk contact of overleg hebben gehad over zijn bevindingen. Dit contact en overleg had er, in het licht van de vereiste wederzijdse onafhankelijkheid, ook niet kúnnen zijn.

Geen grote behoedzaamheid in acht genomen

Dat er geen contact en overleg was geweest tussen de arts en de second-opinion psychiater, niet bij het aanvragen van zijn mening, niet met betrekking tot de vraag of opnieuw een advies nodig was en in het bijzonder niet naar aanleiding van zijn bevindingen, getuigt volgens de commissie niet van de gevraagde grote behoedzaamheid. Het inroepen van de opvatting van een onafhankelijk psychiater is niet slechts als formaliteit bedoeld.

De commissie oordeelde daarom dat de arts weliswaar een onafhankelijk psychiater had geraadpleegd, in zoverre dat de second-opinion psychiater onafhankelijk kon oordelen, maar dat de arts zich voor het overige in de situatie had gebracht dat zij zich niet goed (onafhankelijk) heeft laten, dan wel kunnen, voorlichten en toetsen en daardoor niet (voldoende) kritisch had gereflecteerd, dan wel kunnen reflecteren op de eigen overtuiging. De arts handelde niet zorgvuldig, omdat zij geen onafhankelijk psychiater had geraadpleegd op de wijze zoals bedoeld in de EuthanasieCode.

Consulent als psychiater

De commissie overwoog ten overvloede dat de arts in deze situatie een consulent had kunnen raadplegen die tevens psychiater was. Op deze manier zou de vrouw geen extra psychiatrische beoordeling hoeven ondergaan en werd zij zo min mogelijk belast, terwijl hiermee tegelijkertijd aan het vereiste van de EuthanasieCode met betrekking tot de grote behoedzaamheid zou worden voldaan.

De commissie concludeerde dat de arts voor wat betreft de zorgvuldigheidseisen a, b en d, onvoldoende kritisch had kunnen reflecteren op de eigen overtuiging met behulp van een beoordeling van een onafhankelijk en ter zake deskundige psychiater. Daarmee heeft de arts niet voldaan aan de zorgvuldigheidseisen met betrekking tot de vrijwilligheid en weloverwogenheid van het verzoek, de uitzichtloosheid van het lijden en het ontbreken van een redelijke andere oplossing.

Deze melding is op de website te vinden onder nummer 2025-040.