
Duo-euthanasie - Geen verlengde arm-constructie mogelijk bij het uitvoeren van euthanasie
Jaarverslag RTE 2025
Bij een vrouw, tussen de zestig en zeventig jaar, werd ongeveer een maand voor het overlijden uitgezaaide longkanker met progressieve halfzijdige verlamming en woordvindstoornissen vastgesteld.
Het lijden
Vanwege de snelle progressie raakte zij voor de algemene dagelijkse levensverrichtingen al snel volledig afhankelijk. De verwachting was dat zij nog enkele dagen tot weken zou leven, maar die verwachting zou aanzienlijk worden verkort als er een hersenbloeding zou optreden als gevolg van de uitzaaiingen in de hersenen.
Het verzoek
De vrouw sprak drie weken voor het overlijden voor het eerst met de arts, een huisarts, over haar euthanasiewens. Zij verzocht ook direct om daadwerkelijke uitvoering van de levensbeëindiging. Zij herhaalde dit verzoek tijdens de gesprekken in de dagen die volgden. De arts raadpleegde een onafhankelijk SCEN-arts als consulent, die de vrouw ongeveer een week voor het overlijden bezocht.
Duo-euthanasie
De vrouw en haar echtgenoot hadden allebei de arts verzocht om levensbeëindiging en hadden de uitdrukkelijke wens om op hetzelfde moment te overlijden. De arts vroeg daarom aan een arts in opleiding tot specialist (AIOS) in de huisartsenpraktijk om de handelingen te verrichten voor de vrouw, terwijl de arts zelf de levensbeëindiging zou uitvoeren bij de echtgenoot. De AIOS diende bij de vrouw de middelen toe in de hoeveelheid en op de wijze zoals aanbevolen in de KNMG/KNMP Richtlijn Uitvoering euthanasie en hulp bij zelfdoding van september 2021. De levensbeëindiging op verzoek werd gemeld door de huisarts van de vrouw.
AIOS bereid om middelen toe te dienen
In het modelverslag schreef de arts dat de euthanatica bij de vrouw niet door hemzelf, maar door de AIOS waren toegediend. Omdat de vrouw en haar echtgenoot de wens hadden om gelijktijdig te overlijden, was de arts op zoek gegaan naar een manier om dat praktisch te regelen. Hij kwam tot de conclusie dat het niet haalbaar was om in zijn eentje beide levensbeëindigingen gelijktijdig uit te voeren. In eerste instantie wilde hij een verpleegkundig specialist in de praktijk vragen om hem te helpen, maar zij concludeerden dat dit niet mogelijk was, omdat het ging om een handeling die voorbehouden is aan artsen.
Twee dagen voor de geplande uitvoering vroeg de arts aan de AIOS of zij bereid zou zijn de middelen toe te dienen. De AIOS had de vrouw nog nooit ontmoet, maar was bekend met de situatie van de vrouw, omdat die ook aan bod was gekomen tijdens de leergesprekken van de AIOS met de arts in de hoedanigheid van opleider. Ook hadden een waarnemend huisarts en een verpleegkundige die bij de vrouw betrokken waren haar verteld over de situatie van de vrouw. Zij las het door de arts ingevulde modelverslag en het SCEN-verslag van de consulent en besloot dat zij bereid was de arts te helpen met de uitvoering.
Gezamenlijke uitvoering
De AIOS en de arts liepen op de dag van de euthanasie samen het protocol voor de uitvoering door en haalden vervolgens samen bij de apotheek de euthanatica op. Zij controleerden tijdens de uitvoering samen het infuus van de vrouw door het infuus te spoelen. Op aangeven van de arts diende de AIOS de coma-inductor toe. Vervolgens stelden zij samen op adequate wijze vast dat er sprake was van een voldoende bewustzijnsverlaging. De arts gaf de instructie om de spierverslapper toe te dienen, die de AIOS opvolgde. Daarna stelden zij samen de dood van de vrouw vast.
Meldend en uitvoerend arts
Alleen een arts is gerechtigd om uitvoering te geven aan een verzoek van een patiënt om euthanasie. De wet richt zich tot de arts die de euthanasie daadwerkelijk uitvoert. In verband met de toetsbaarheid van het handelen van de uitvoerend arts dient één en dezelfde arts alle middelen aan de patiënt toe te dienen.
De arts die de euthanasie meldde, had niet zelf de coma-inductor en spierverslapper toegediend, maar dit overgelaten aan een AIOS. De commissie zag zich daarom voor de vraag gesteld of de meldend arts in deze melding gezien kon worden als de uitvoerend arts, wat bevestigend werd beantwoord.
In deze melding had de arts in het modelverslag geschreven dat hij de euthanasie had uitgevoerd, maar dat de AIOS de middelen had toegediend. De arts had als enige het modelverslag ondertekend.
Hoewel de wet zich richt tot de arts die de euthanasie heeft uitgevoerd, staat in de wet of wetsgeschiedenis geen nadere explicitering van wat wordt verstaan onder het ‘daadwerkelijk uitvoeren’ van een euthanasie. De commissie oordeelde dat het ‘daadwerkelijk uitvoeren’ van euthanasie meer handelingen omvat dan slechts het toedienen van de euthanatica. Ook is van belang wie de regie heeft over het euthanasietraject en de uiteindelijke uitvoering, en wie de verantwoordelijkheid ervoor draagt, wat bijvoorbeeld kan blijken uit het verrichten van andere handelingen die onderdeel uitmaken van het euthanasietraject. Denk hierbij aan het voeren van gesprekken met de patiënt, het aanvragen van de consultatie, het bestellen van de euthanatica bij de apotheek en alle handelingen op de dag van de uitvoering.
De arts verklaarde tegenover de commissie dat hij zichzelf zag als de uitvoerend arts en dat hij voor zijn gevoel de euthanasie ook had uitgevoerd. De AIOS had slechts twee handelingen verricht om hem te helpen. Hij zag de handelingen van de AIOS dan ook in de context van een ‘verlengde arm-constructie’. Hij hield gedurende de gehele procedure de regie. De AIOS had op zijn teken de euthanatica toegediend en zij voerden samen alle andere handelingen uit, zoals het controleren van het infuus en de comacheck. Hij vond zichzelf verantwoordelijk voor het hele euthanasietraject en daarmee ook voor de uitvoering.
De commissie overwoog daarnaast dat sprake was van een opleidingssituatie, aangezien de arts de opleider van de AIOS was, waardoor een hiërarchische relatie bestond. De AIOS vertrouwde erop dat de arts alle benodigde kennis had om de euthanasie op een juiste wijze uit te voeren, en alle door haar uitgevoerde handelingen vonden plaats onder zijn supervisie. Ook was er een afhankelijkheidsrelatie tussen de AIOS en de arts, waardoor het mogelijk is dat de AIOS zich niet volledig vrij voelde om het verzoek om hulp van de arts te weigeren.
De commissie oordeelde daarom dat de arts die de melding bij de commissie heeft gedaan, als uitvoerend arts beschouwd moet worden.
Geen medisch zorgvuldige uitvoering
De commissie oordeelde dat uit de wet, de EuthanasieCode 2022 en de Richtlijn volgt dat de arts zelf de gehele procedure moet uitvoeren en dus ook de euthanatica moet toedienen. In dit geval is dat niet gebeurd. De commissie kwam dan ook tot het oordeel dat de euthanasie niet medisch zorgvuldig was uitgevoerd.
In haar oordeel woog de commissie mee dat de arts de handelingen van de levensbeëindiging op verzoek niet zelf had verricht, maar aan een andere arts had overgedragen. De arts gaf daarbij aan dat hij dit zag als een verlengde arm-constructie. Het wettelijk stelsel biedt bij een euthanasie echter geen mogelijkheid voor een verlengde arm-constructie, waarbij een andere arts of zorgverlener handelt in opdracht van de uitvoerend arts die eindverantwoordelijk is. Dat de arts en AIOS gezamenlijk bij het echtpaar de euthanasie uitvoerden en de AIOS onder zijn supervisie handelde, maakt dit niet anders.
De arts had wel voldaan aan de overige zorgvuldigheidseisen.
Deze melding is op de website te vinden onder nummer 2025-051.