
Combinatie hulp bij zelfdoding en levensbeëindiging op verzoek uitgevoerd door twee artsen
Jaarverslag RTE 2025
Psychische aandoening
Een man, tussen de zestig en zeventig jaar oud, had een cluster B-persoonlijkheidsstoornis met borderline, histrionische en narcistische trekken.
Het lijden
De man kreeg vanaf zijn achttiende jaar behandelingen bestaande uit medicatie, klinische opnames en verschillende verbale en non-verbale therapieën. Deze behandelingen konden zijn lijden niet wegnemen. Ook worstelde hij jarenlang met doodsgedachten en deed hij meerdere zelfmoordpogingen. In zijn jeugd werd hij affectief en emotioneel verwaarloosd en ook in zijn latere leven ervoer hij continu afwijzingen en liep hij vast in zijn relaties. De man had geen enkele hoop meer op verbetering en zag geen perspectief waarin hij ooit het leven aan zou kunnen. Hij kon het niet meer opbrengen om verder te leven.
Euthanasiewens
De arts, een psychiater, voerde meerdere gesprekken met de man. In elk gesprek vertelde hij over zijn euthanasieverzoek en vroeg hij haar om zijn doodswens te vervullen. De uitvoering van de euthanasie verliep gecompliceerd.
Hulp bij zelfdoding wordt levensbeëindiging op verzoek
De arts zou aan de man hulp bij zelfdoding verlenen en was samen met een AIOS (arts in opleiding tot specialist) bij de man tijdens de uitvoering. De arts had met de man en zijn familie afgesproken dat de arts zou overgaan tot levensbeëindiging op verzoek als hij na twee uur nog niet zou zijn overleden. De arts reikte de man het drankje aan, die het opdronk. Na twee uur had de man een afwezige pols, maar nog wel een ademhaling. De arts besloot toen over te gaan op levensbeëindiging op verzoek.
Adequate comacheck en toediening spierverslapper
De arts stelde op adequate wijze vast dat bij de man sprake was van een voldoende bewustzijnsverlaging door de corneareflex te controleren en een pijnprikkel toe te dienen. Nadat de arts concludeerde dat de man in een voldoende diep coma was, diende vervolgens de AIOS de in de Richtlijn genoemde dosering spierverslapper (150 milligram rocuronium) toe. Hierop overleed de man. Volgens de Richtlijn moet de arts overstappen op het intraveneus toedienen van een coma-inductor en vervolgens een spierverslapper, als de patiënt bij hulp bij zelfdoding niet binnen de afgesproken tijd overlijdt. Bij de man is alleen een spierverslapper toegediend. Daarmee is de arts afgeweken van de Richtlijn.
Voldoende bewustzijnsverlaging en toediening spierverslapper
De arts vertelde aan de commissie dat zij het niet nodig vond om een coma-inductor toe te dienen aan de man, omdat hij in coma was. De commissie is van oordeel dat bij de interpretatie van richtlijnen rekening moet worden gehouden met de aan de arts geboden professionele ruimte. De achterliggende reden van de werkwijze zoals in de Richtlijn is opgenomen, is dat het van groot belang is dat de patiënt de toediening van de spierverslapper niet ervaart. Pas als sprake is van een voldoende bewustzijnsverlaging mag de arts een spierverslapper toedienen.
Achterliggende norm ondervangen
De arts voerde voor het toedienen van de spierverslapper een adequate comacheck uit. Hierdoor kon de arts met voldoende zekerheid vaststellen dat de man de spierverslapper niet zou ervaren. Daarmee is de achterliggende reden van de norm, dat hij de werking van de spierverslapper niet mocht ervaren, ondervangen. Voor de commissie is het daarom duidelijk dat de man tijdens de uitvoering niet heeft geleden door de handelswijze van de arts. De commissie adviseert de arts om in eventuele volgende gevallen te handelen zoals de Richtlijn voorschrijft door eerst een coma-inductor toe te dienen, om zo het risico te minimaliseren dat de patiënt de spierverslapper ervaart.
Uitvoerend arts
De arts reikte de man het drankje aan, terwijl de AIOS de spierverslapper toediende. De arts verklaarde dat de AIOS onder haar supervisie handelde en dat zij zich niet meer kon herinneren waarom werd besloten de AIOS de spierverslapper te laten toedienen. De AIOS en de arts waren samen opgetrokken tijdens het euthanasietraject en het voelde voor hen allebei goed en natuurlijk om de uitvoering samen te doen. De arts had zich niet gerealiseerd dat zij de uitvoering zelf had moeten doen.
Daadwerkelijke uitvoerder
Hoewel de wet zich richt tot de arts die de euthanasie heeft uitgevoerd, geeft de wet of wetgeschiedenis geen verdere expliciete omschrijving van wat er wordt verstaan onder het ‘daadwerkelijk uitvoeren’ van een euthanasie. De commissie oordeelt dat het ‘daadwerkelijk uitvoeren’ van euthanasie meer handelingen omvat dan slechts het toedienen van de euthanatica.
Het is ook van belang om mee te wegen wie de regie heeft over het euthanasietraject en wie de verantwoordelijkheid ervoor draagt. Dit kan bijvoorbeeld blijken uit andere handelingen die onderdeel uitmaken van het euthanasietraject, zoals het voeren van gesprekken met de patiënt, het aanvragen van de consultatie, het bestellen van de euthanatica bij de apotheek en alle overige handelingen van de medische uitvoering.
De arts beschouwt zichzelf als uitvoerend arts
De arts voerde de gesprekken met de man en doorliep het euthanasietraject met hem. Hoewel de AIOS ook betrokken was bij het euthanasietraject, was het de bedoeling dat de arts de euthanasie zou uitvoeren. De arts startte de procedure zelf en het was daarbij ook de bedoeling om de euthanasie zelf uit te voeren door hulp bij zelfdoding te verlenen. Nadat de man niet overleed, diende de AIOS de spierverslapper toe. De arts verklaarde dat de uitvoering onder haar supervisie verliep en dat zij verantwoordelijk was voor de hele procedure. Het was niet haar bedoeling om de verantwoordelijkheid voor de euthanasie over te dragen aan de AIOS. De arts gaf in het gesprek met de commissie duidelijk aan dat zij van mening was dat zij moest worden beschouwd als uitvoerend arts.
Verlengde-arm constructie
De commissie stelde vast dat de arts bij het uitvoeren van de euthanasie niet volgens de Richtlijn heeft gehandeld. Uit de wet en de Richtlijn volgt dat de arts zelf de hele procedure moet uitvoeren en dus ook de euthanatica moet toedienen. De arts was de uitvoering van de hulp bij zelfdoding gestart door de man het drankje met euthanatica aan te reiken. Zij had naar het oordeel van de commissie dan ook alle andere handelingen moeten verrichten. Uit het wettelijk stelsel volgt dat een ‘verlengde-arm constructie’, waarbij een andere arts of zorgverlener handelt in opdracht van de uitvoerend arts, bij het uitvoeren van een euthanasie niet mogelijk is. Dit is niet anders nu de arts de regie had over het verloop van de uitvoering en de AIOS onder haar supervisie handelde.
Omdat de arts niet de gehele procedure zelf heeft uitgevoerd, kon de commissie niet anders dan oordelen dat de arts de levensbeëindiging op verzoek niet medisch zorgvuldig had uitgevoerd.
Aan de overige zorgvuldigheidseisen had de arts wel voldaan.
Deze melding is op de website te vinden onder nummer 2025-050.