Oordeel 2021-84, zorgvuldig, NVO-melding, aandoening van het zenuwstelsel, uitzichtloos en ondraaglijk lijden, vrijwillig en weloverwogen verzoek, geen redelijke andere oplossing.

Bij patiënte was ALS vastgesteld, waarbij genezing niet meer mogelijk was en waarvan de verwachting was dat deze zouden verergeren, raadpleegde de arts in een vroeg stadium de consulent.

In meldingen waarin de commissie van oordeel is dat de arts aan alle zorgvuldigheidseisen voldaan heeft en die geen enkele vraag oproepen, wordt de arts vrijwel altijd in een korte brief op de hoogte gesteld van de uitkomst van de beoordeling. De hieronder staande casus betreft een dergelijke melding. De tekst is dus niet een verzonden oordeel, maar een samenvatting van de casuïstiek van de betreffende melding.

Bij een vrouw, tussen de zeventig en tachtig jaar oud, werd zeven maanden voor het overlijden bulbaire Amyotrofische Laterale Sclerose (ALS) vastgesteld. De ziektegeschiedenis vermeldde voorts dat sprake was van de ziekte van Parkinson. Genezing was niet mogelijk.

Het lijden bestond uit spraak- en slikproblemen en benauwdheid. Hierdoor werd het steeds moeilijker om te eten en communiceren. Dit vond zij verschrikkelijk omdat zij contacten met anderen juist altijd had opzocht en erg belangrijk vond. Daarbij was tevens sprake van veel slijmvorming, ernstige vermoeidheid en verlies van mobiliteit. Tevens gaven de aanvallen van benauwdheid haar met regelmaat het gevoel te stikken. De vrouw leed onder de voortschrijdende fysieke achteruitgang, het verlies van autonomie en de uitzichtloosheid van haar situatie. Zij vond haar situatie ontluisterend en vreesde verdere achteruitgang. De vrouw ervoer haar lijden als ondraaglijk.

De vrouw had met regelmaat met de arts over euthanasie gesproken. Ongeveer anderhalve week voor het overlijden heeft de vrouw de arts om daadwerkelijke uitvoering van de levensbeëindiging verzocht. Volgens de arts was er sprake van een vrijwillig en weloverwogen verzoek.

De arts was ervan overtuigd dat het lijden voor de vrouw ondraaglijk en naar heersend medisch inzicht uitzichtloos was. Er waren geen voor de vrouw aanvaardbare mogelijkheden meer om het lijden te verlichten. Verder kon uit de stukken worden afgeleid dat de arts de vrouw voldoende had voorgelicht over de situatie waarin zij zich bevond en haar vooruitzichten.

Gelet op de spraakproblemen van de vrouw en haar angst om haar verzoek niet meer te kunnen verwoorden, raadpleegde de arts in een vroeg stadium een onafhankelijke SCEN-arts als consulent. Zij bezocht de vrouw drie maanden voor het overlijden. Ondanks de moeizame articulatie kon de vrouw haar verzoek goed toelichten. De consulent kwam tot de conclusie dat nog niet aan de zorgvuldigheidseisen was voldaan, omdat de vrouw op dat moment nog geen actueel verzoek had.

Na een telefonisch contact met de arts bezocht de consulent de vrouw vijf dagen voor het overlijden opnieuw. Naasten van de vrouw voerden namens haar het woord waarbij de vrouw met handgebaren, knikken en hoofdschudden kon aangeven of het juist was wat werd gezegd. De consulent stelde vast dat de vrouw nu wel om euthanasie vroeg en concludeerde dat daarmee aan de zorgvuldigheidseisen werd voldaan.

De arts voerde de euthanasie uit met de middelen, in de hoeveelheid en op de wijze als aanbevolen in de KNMG/KNMP Richtlijn Uitvoering euthanasie en hulp bij zelfdoding van augustus 2012.

De commissie kwam tot het oordeel dat de arts gehandeld heeft overeenkomstig de zorgvuldigheidseisen.