Oordeel 2021-82, zorgvuldig, NVO-melding, overige aandoeningen, uitzichtloos en ondraaglijk lijden, vrijwillig en weloverwogen verzoek, geen redelijke andere oplossing, onafhankelijke arts geraadpleegd.

Patiënte met diverse aandoeningen koos ervoor te stoppen met haar essentiële medicatie en had hiermee de volledige regie en wilde pas euthanasie als het stopzetten van de medicatie niet succesvol zou blijken.

In meldingen waarin de commissie van oordeel is dat de arts aan alle zorgvuldigheidseisen voldaan heeft en die geen enkele vraag oproepen, wordt de arts vrijwel altijd in een korte brief op de hoogte gesteld van de uitkomst van de beoordeling. De hieronder staande casus betreft een dergelijke melding. De tekst is dus niet een verzonden oordeel, maar een samenvatting van de casuïstiek van de betreffende melding.

Bij een vrouw, tussen de zestig en zeventig jaar, bleek sinds twintig jaar voor het overlijden sprake van een myositis met spierzwakte, sclerodermie, Raynaud fenomeen, exostosen, interstitiële longafwijkingen, ischemische en thoracale pijn en chronische wonden. Wegens langdurig medicatiegebruik werd eveneens een bijnierschorsinsufficiëntie geconstateerd. De ziektegeschiedenis vermelde tevens een ernstige rughernia.

De vrouw had nauwelijks nog functionerend spierweefsel en zij leed pijn over haar gehele lichaam die ook met medicatie niet onder controle was. Hierdoor werd zij bijna volledig afhankelijk van anderen en tevens rolstoelafhankelijk. Ongeveer zes weken voor het overlijden maakte de vrouw een CVA door met dysarthrie en een parese van haar voet tot gevolg. Hierdoor kon zij haar trippelstoel niet meer gebruiken. De vrouw gaf aan dat haar grens was bereikt. Zij leed onder het verlies van autonomie, het gebrek aan perspectief en de reële angst om te stikken. De vrouw ervoer haar lijden als ondraaglijk.

De vrouw had eerder met de huisarts over euthanasie gesproken. Zij vond de casus te complex en wilde daarom niet aan het verzoek voldoen. Hierop wendde de vrouw zich tot Expertisecentrum Euthanasie. Een half jaar voor het overlijden heeft de vrouw de collega van de arts - die de behandeling van het verzoek aanvankelijk op zich had genomen - om daadwerkelijke uitvoering van de levensbeëindiging verzocht. De collega van de arts heeft vijfmaal met de vrouw gesproken en gedurende deze gesprekken werd duidelijk dat zij zelf de regie van haar overlijden wilde hebben.

De vrouw koos ervoor om te stoppen met voor haar essentiële medicatie als gevolg waarvan zij in een coma zou geraken en uiteindelijk zou komen te overlijden. Hiermee had zij de volledige regie en deze manier vond zij voor haar naasten het meest acceptabel, omdat het een iets natuurlijker proces was dan euthanasie. Met de collega van de arts werd afgesproken dat indien dit traject niet naar verwachting zou verlopen alsnog zijn hulp ingeroepen kon worden voor het uitvoeren van euthanasie.

Hierop raadpleegde de collega van de arts een onafhankelijke SCEN-arts als consulent. Deze bezocht de vrouw een maand voor het overlijden. Hij kwam tot de conclusie dat aan de zorgvuldigheidseisen werd voldaan. De collega van de arts besprak deze casus binnen een intern multidisciplinair overleg (MDO) die achter dit traject konden staan en akkoord gingen met uitvoering van euthanasie; mocht het nodig blijken.

Door persoonlijke omstandigheden van de collega van de arts kon hij het traject niet verder voortzetten. Hierop nam de arts de behandeling over en nam kennis van de verslagen die waren opgemaakt van de eerdere gesprekken en het medisch dossier van de vrouw. De arts, die tevens was betrokken bij het intern MDO heeft vervolgens, acht dagen voor het overlijden, eenmaal met de vrouw over het traject en haar verzoek gesproken.

Volgens de arts was er sprake van een vrijwillig en weloverwogen verzoek. Hij was er voorts van overtuigd dat het lijden voor de vrouw ondraaglijk en naar heersend medisch inzicht uitzichtloos was geworden. Er waren geen voor de vrouw aanvaardbare mogelijkheden meer om het lijden te verlichten. Verder kon uit de stukken worden afgeleid dat de arts de vrouw voldoende had voorgelicht over de situatie waarin zij zich bevond en haar vooruitzichten.

De arts nam telefonisch contact op met de reeds geraadpleegde onafhankelijke SCEN-arts waarin hij toelichtte dat hij de behandeling van zijn collega had overgenomen. In het addendum op het eerdere SCEN-verslag verklaarde de consulent zich ook onafhankelijk ten opzichte van de arts en concludeerde dat nog altijd aan de zorgvuldigheidseisen werd voldaan.

Nadat de vrouw was gestopt met de medicatie bezocht de arts haar op haar verzoek nogmaals. Zij verzocht de arts alsnog zo snel mogelijk euthanasie toe te passen in verband met zeer hevige forse onhoudbare rugpijn die was opgetreden. Diezelfde dag voerde de arts de euthanasie uit met de middelen, in de hoeveelheid en op de wijze als aanbevolen in de KNMG/KNMP Richtlijn Uitvoering euthanasie en hulp bij zelfdoding van augustus 2012.

De commissie kwam tot het oordeel dat de arts gehandeld heeft overeenkomstig de zorgvuldigheidseisen.