Oordeel 2021-67, zorgvuldig, NVO-melding, stapeling van ouderdomsaandoeningen, uitzichtloos en ondraaglijk lijden, vrijwillig en weloverwogen verzoek, geen redelijke andere oplossing, onafhankelijke arts geraadpleegd.

Een patiënte met stapeling van ouderdomsaandoeningen werd zeer beperkt in haar mobiliteit en zij leed continu pijn. Psychiatrische stoornis werd uitgesloten.

In meldingen waarin de commissie van oordeel is dat de arts aan alle zorgvuldigheidseisen voldaan heeft en die geen enkele vraag oproepen, wordt de arts vrijwel altijd in een korte brief op de hoogte gesteld van de uitkomst van de beoordeling. De hieronder staande casus betreft een dergelijke melding. De tekst is dus niet een verzonden oordeel, maar een samenvatting van de casuïstiek van de betreffende melding.

Een vrouw, tussen de tachtig en negentig jaar, leed sinds geruime tijd voor het overlijden aan meerdere aandoeningen, zoals polyartrose, astmatische bronchitis met bronchiëctasieën, frequente blaasontstekingen, een spastische darm en het syndroom van Charles Bonnet (CBS).

Het lijden van de vrouw bestond uit chronische rug- en gewrichtspijn, krachtsverlies van de handen en benen, kortademigheid, algehele verzwakking, mobiliteitsverlies en muzikale hallucinaties. Daarbij had de vrouw terugkerende darmkrampen en recidiverende astma-aanvallen en blaasontstekingen. Daarnaast was sprake van slechthorendheid, slechtziendheid, incontinentie voor urine en ontlasting en mild cognitive impairment.

Door de combinatie van haar aandoeningen was de vrouw zeer beperkt in haar mobiliteit en had zij continu pijn over haar hele lichaam. Vanwege de zintuigelijke beperkingen kon zij ook geen afleiding meer zoeken in lezen of tv kijken. De vrouw was altijd een sterke en onafhankelijke vrouw geweest, maar zij verloor in toenemende mate haar autonomie en werd steeds afhankelijker van anderen. Dat vond zij verschrikkelijk en zij was moegestreden. Zij leed onder de zinloosheid van haar situatie, de toenemende afhankelijkheid van anderen, het gebrek aan perspectief en zij zag op tegen verdere fysieke achteruitgang. De vrouw ervoer haar lijden als ondraaglijk.

De vrouw had vaker met de huisarts over euthanasie gesproken. Ongeveer vijf maanden voor het overlijden had de huisarts het euthanasietraject in gang gezet. Daarbij had hij een onafhankelijke SCEN-arts als consulent geraadpleegd, die de vrouw vier maanden voor het overlijden had bezocht. Hij kwam tot de conclusie dat aan de zorgvuldigheidseisen was voldaan.

Tevens had de huisarts een onafhankelijk psychiater geraadpleegd ter beoordeling van de vraag of sprake was van een psychiatrische diagnose bij de vrouw. Deze psychiater had de vrouw vijfenhalve maand voor het overlijden bezocht. Hij concludeerde dat geen sprake was van een psychiatrische stoornis in engere zin, specifiek geen depressieve stoornis, geen angststoornis, geen PTSS en geen psychotische stoornis.

Uiteindelijk besloot de huisarts niet aan het euthanasieverzoek van de vrouw te voldoen, omdat geen sprake was van een terminale aandoening. Hierop wendde de vrouw zich tot Expertisecentrum Euthanasie. De arts heeft drie keer met de vrouw gesproken. Direct tijdens het eerste bezoek, anderhalve maand voor het overlijden, verzocht de vrouw om daadwerkelijke uitvoering van de levensbeëindiging. Zij persisteerde in dat verzoek.

Volgens de arts was er sprake van een vrijwillig en weloverwogen verzoek. De arts was ervan overtuigd dat het lijden voor de vrouw ondraaglijk en naar heersend medisch inzicht uitzichtloos was. Er waren geen voor de vrouw aanvaardbare mogelijkheden meer om het lijden te verlichten. Verder kon uit de stukken worden afgeleid dat de arts de vrouw voldoende had voorgelicht over de situatie waarin zij zich bevond en haar vooruitzichten.

De arts verzocht de consulent die de vrouw reeds had bezocht om haar, gelet op de reeds verstreken termijn, nogmaals te bezoeken. De consulent en de arts hadden hun onafhankelijkheid jegens elkaar toegelicht en de consulent bezocht de vrouw tweeënhalve week voor het overlijden nogmaals. Hij concludeerde dat nog altijd aan de zorgvuldigheidseisen werd voldaan.

De arts voerde de euthanasie uit met de middelen, in de hoeveelheid en op de wijze als aanbevolen in de KNMG/KNMP Richtlijn Uitvoering euthanasie en hulp bij zelfdoding van augustus 2012.

Een stapeling van ouderdomsaandoeningen kan de oorzaak zijn van uitzichtloos en ondraaglijk lijden. Het lijden van de patiënt moet zijn oorzaak vinden in een medische aandoening, die zowel somatisch als psychiatrisch van aard kan zijn. Het hoeft het niet te gaan om één overheersend medisch probleem. Het lijden van de patiënt kan ook het gevolg zijn van een stapeling van grotere en kleinere gezondheidsproblemen. De optelsom van medische problemen kan, in samenhang met de ziektegeschiedenis, de biografie, de persoonlijkheid, het waardepatroon en de draagkracht van de patiënt, een lijden doen ontstaan dat voor de patiënt ondraaglijk is.

De commissie kwam tot het oordeel dat de arts gehandeld heeft overeenkomstig de zorgvuldigheidseisen.