Oordeel 2021-66, zorgvuldig, NVO-melding, longaandoening, uitzichtloos en ondraaglijk lijden, vrijwillig en weloverwogen verzoek, geen redelijke andere oplossing, onafhankelijke arts geraadpleegd.

Patiënte leed geruime tijd aan COPD. Er was uiteindelijk sprake van COPD GOLD IV als gevolg waarvan zij ondraaglijk leed. De eigen huisarts had een gewetensbezwaar en verwees patiënte naar Expertisecentrum Euthanasie.

In meldingen waarin de commissie van oordeel is dat de arts aan alle zorgvuldigheidseisen voldaan heeft en die geen enkele vraag oproepen, wordt de arts vrijwel altijd in een korte brief op de hoogte gesteld van de uitkomst van de beoordeling. De hieronder staande casus betreft een dergelijke melding. De tekst is dus niet een verzonden oordeel, maar een samenvatting van de casuïstiek van de betreffende melding.

Een vrouw, tussen de zestig en zeventig jaar oud, was geruime tijd voor het overlijden bekend met COPD. Uiteindelijk werd ruim anderhalf jaar voor het overlijden COPD GOLD IV vastgesteld. Ruim anderhalf jaar voor het overlijden werd tevens een slaapapneu syndroom geconstateerd. De vrouw werd medicamenteus behandeld en kreeg nachtelijke luchttoediening onder druk om het zuurstofgehalte in de nacht op peil te houden, maar dit bracht onvoldoende verlichting. Extra zuurstof kreeg zij niet omdat dit was gecontra-indiceerd.

De vrouw was ernstig benauwd en bij de minste inspanning kortademig. Zelfs de gang naar het toilet kon zij bijna niet meer opbrengen. De vrouw kon eigenlijk alleen nog zitten en praten, maar bij enige emotie ging het praten ook moeizaam. De vrouw, die altijd de regie had gehad over haar leven, vond het verlies van autonomie en de afhankelijkheid van anderen verschrikkelijk. Zij leed onder het gebrek aan perspectief en vreesde verdere achteruitgang waarbij zij bang was om te stikken. Zij ervoer haar lijden als ondraaglijk.

De huisarts van de vrouw verricht geen euthanasie en kon daarom niet aan het verzoek voldoen. Hierop wendde de vrouw zich tot Expertisecentrum Euthanasie. De arts heeft vier keer met de vrouw gesproken. Direct tijdens het eerste bezoek, een maand voor het overlijden, verzocht de vrouw om daadwerkelijke uitvoering van de levensbeëindiging. Zij persisteerde in dat verzoek.

Volgens de arts was er sprake van een vrijwillig en weloverwogen verzoek. De arts was er voorts van overtuigd dat het lijden voor de vrouw ondraaglijk en naar heersend medisch inzicht uitzichtloos was. Er waren geen voor de vrouw aanvaardbare mogelijkheden meer om het lijden te verlichten. Verder kon uit de stukken worden afgeleid dat de arts de vrouw voldoende had voorgelicht over de situatie waarin zij zich bevond en haar vooruitzichten.

De arts raadpleegde een onafhankelijke SCEN-arts als consulent. Hij bezocht de vrouw twaalf dagen voor het overlijden en kwam tot de conclusie dat aan de zorgvuldigheidseisen was voldaan.

De arts voerde de euthanasie uit met de middelen, in de hoeveelheid en op de wijze als aanbevolen in de KNMG/KNMP Richtlijn Uitvoering euthanasie en hulp bij zelfdoding van augustus 2012.

De commissie kwam tot het oordeel dat de arts gehandeld heeft overeenkomstig de zorgvuldigheidseisen.