Oordeel 2021-37, zorgvuldig, NVO-melding, aandoening van het zenuwstelsel, uitzichtloos en ondraaglijk lijden, vrijwillig en weloverwogen verzoek, geen redelijke andere oplossing.

Patiënte leed ondraaglijk door de gevolgen van ALS, die niet te behandelen waren.

In meldingen waarin de commissie van oordeel is dat de arts aan alle zorgvuldigheidseisen voldaan heeft en die geen enkele vraag oproepen, wordt de arts vrijwel altijd in een korte brief op de hoogte gesteld van de uitkomst van de beoordeling. De hieronder staande casus betreft een dergelijke melding. De tekst is dus niet een verzonden oordeel, maar een samenvatting van de casuïstiek van de betreffende melding.

Bij een vrouw, tussen de zeventig en tachtig jaar oud, werd ongeveer negen maanden voor het overlijden Amyotrofische Laterale Sclerose (ALS) vastgesteld. ALS is een ziekte van het zenuwstelsel waardoor spieren geleidelijk dunner en minder krachtig worden. Genezing was niet mogelijk. De behandeling was uitsluitend palliatief van aard. 

Het lijden van de vrouw bestond uit progressief functieverlies. Zo was sprake van dysartrie, slikstoornissen en continue benauwdheid met laryngospasmen. Bij de geringste inspanning was de vrouw benauwd en daarbij kreeg zij meerdere keren per dag aanvallen van hevige benauwdheid die haar zeer beangstigden. De vrouw kon niet meer in bed liggen en bracht de hele dag en nacht zittend op een stoel door, hetgeen pijnlijke decubitus aan de stuit veroorzaakte. 

Door het vele zitten was er sprake van oedeem bij de voeten en onderbenen en obstipatie met daarbij buikpijn. De vrouw leed onder het verlies van autonomie, de daarmee samenhangende toenemende afhankelijkheid, de uitzichtloosheid van haar situatie en de reële angst om te stikken. Zij vond haar situatie ontluisterend en ervoer haar lijden als ondraaglijk.

De arts was ervan overtuigd dat het lijden voor de vrouw ondraaglijk en naar heersend medisch inzicht uitzichtloos was. Er waren geen voor de vrouw aanvaardbare mogelijkheden meer om het lijden te verlichten. Verder kon uit de stukken worden afgeleid dat de arts en de specialisten de vrouw voldoende hadden voorgelicht over de situatie waarin zij zich bevond en haar vooruitzichten.

De vrouw sprak vanaf het moment dat de diagnose ALS was gesteld regelmatig met de arts over euthanasie. Achttien dagen voor het overlijden heeft de vrouw de arts om daadwerkelijke uitvoering van de levensbeëindiging verzocht. De arts stelde vast dat de vrouw helder van bewustzijn was en volledig wilsbekwaam. Volgens de arts was er sprake van een vrijwillig en weloverwogen verzoek. 

De arts raadpleegde een onafhankelijke SCEN-arts als consulent. Deze bezocht de vrouw zestien dagen voor het overlijden en kwam tot de conclusie dat aan de zorgvuldigheidseisen was voldaan. 

De arts voerde de euthanasie uit met de middelen, in de hoeveelheid en op de wijze als aanbevolen in de KNMG/KNMP Richtlijn Uitvoering euthanasie en hulp bij zelfdoding van augustus 2012.

De commissie kwam tot het oordeel dat de arts gehandeld heeft overeenkomstig de zorgvuldigheidseisen.