Oordeel 2021-69, zorgvuldig, huisarts, kanker, uitzichtloos en ondraaglijk lijden, vrijwillig en weloverwogen verzoek, geen redelijke andere oplossing, onafhankelijke arts geraadpleegd.

Tussen het bezoek van de consulent en het moment van de uitvoering van de euthanasie zat twee maanden.

Er was een termijn van twee maanden verstreken tussen het bezoek van de consulent en het moment van de uitvoering van de euthanasie. Een toelichting van de arts op die relatief lange tijd ontbrak in het modelverslag. Uit het patiëntenjournaal heeft de commissie op kunnen maken dat patiënte rond het moment van het bezoek van de consulent ernstige pijn had, die moeilijk onder controle te krijgen was. Kort na het bezoek van de consulent, zo bleek eveneens uit het journaal, heeft patiënte een morfinepomp gekregen, waarmee haar pijn draaglijk werd. Uit het journaal blijkt dat in de loop van de twee maanden die verstreken de dosering morfine regelmatig werd verhoogd. De situatie was daarmee voor patiënte te dragen. Kort voor het overlijden nam de pijn in hevigheid weer toe, ondanks het verhogen van de morfine. Patiënte heeft toen verzocht aan haar euthanasie te verlenen. De commissie overweegt dat met deze informatie uit het journaal het tijdsverloop tussen het bezoek van de consulent en de uitvoering van de euthanasie afdoende verklaard is. Het ware beter geweest als de arts nog een keer contact had gelegd met de consulent en de situatie met hem had besproken, waarna deze laatste zijn eerdere verslag had kunnen aanvullen. In ieder geval had de arts er goed aan gedaan in het modelverslag zelf een verklaring te geven voor de langere periode. De commissie adviseert de arts dat in een voorkomend volgend geval wel te doen. Het leidt er echter niet toe dat de commissie van oordeel is dat niet aan de zorgvuldigheidseis van het raadplegen van een onafhankelijke arts is voldaan. Doorslaggevend daarbij is dat het ziekteproces verliep zoals verwacht en de situatie van patiënte niet wezenlijk veranderde.
 

Introductie van de casus

Bij patiënte, een vrouw van tussen de 70-80 jaar, werd een jaar voor het overlijden, nadat patiënte tien jaar daarvoor borstkanker had gehad, longkanker met uitzaaiingen vastgesteld. Genezing was niet meer mogelijk.

Patiënte had ernstige pijn en raakte steeds verder afhankelijk. Zij leed onder het verlies van de regie over het eigen leven.

Twee maanden voor het overlijden werd patiënte bezocht door de consulent.

De arts heeft de levensbeëindiging op verzoek uitgevoerd met de middelen, in de hoeveelheid en op de wijze als aanbevolen in de KNMG/KNMP Richtlijn Uitvoering euthanasie en hulp bij zelfdoding van augustus 2012.

Het toetsingskader in het algemeen

In artikel 2, eerste lid, van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding (hierna: WTL) staan de zes zorgvuldigheidseisen waaraan de arts moet voldoen, wanneer hij levensbeëindiging op verzoek of hulp bij zelfdoding toepast. De tekst van artikel 2, eerste lid, van de WTL is hier te vinden.

Het toetsingskader toegespitst op de casus

In deze melding heeft de commissie stil gestaan bij de zorgvuldigheidseis dat de arts tenminste één andere onafhankelijke arts raadpleegt, die patiënt ziet en schriftelijk zijn oordeel geeft over de zorgvuldigheidseisen, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a tot en met d, van de WTL (artikel 2, eerste lid, onder e, van de WTL).

Overwegingen

Aan de hand van de feiten en omstandigheden ontleend aan het dossier en voor zover relevant overweegt de commissie als volgt.

Het was de commissie opgevallen dat een termijn van twee maanden verstreek tussen het bezoek van de consulent (die overigens concludeerde dat aan voornoemde zorgvuldigheidseisen van artikel 2, eerste lid, onder a tot en met d, van de WTL was voldaan) en het moment van de uitvoering van de euthanasie. Een toelichting van de arts op die relatief lange tijd ontbrak in het modelverslag.

In de EuthanasieCode 2018 (herziene versie 2020) is over een dergelijke situatie op pagina 33 het volgende opgenomen:

"Opnieuw raadplegen van de consulent

Het is niet uitzonderlijk dat er enige tijd is gelegen tussen het bezoek van de consulent aan de patiënt en de uitvoering van het euthanasieverzoek. Doorgaans is dat geen probleem. De wet zegt niets over de ‘houdbaarheidsduur’ van een consulentenrapport. In het algemeen kan worden gesteld dat het verslag van toepassing blijft zolang de omstandigheden van de patiënt niet wezenlijk veranderen en het ziekteproces verloopt zoals verwacht. Daarbij zal het vaker gaan om dagen of weken dan om maanden. Naarmate de termijn tussen het bezoek van de consulent en de uitvoering van de euthanasie langer is, ligt een nieuw contact tussen arts en consulent meer voor de hand, en zal het uitblijven daarvan bij de commissies vragen oproepen. Soms zal de consulent de patiënt een tweede keer moeten bezoeken. Soms zal met een telefonisch contact tussen arts en consulent, dan wel tussen consulent en patiënt, kunnen worden volstaan. Precieze normen hiervoor zijn niet te geven. Dit is ter beoordeling van de arts, in het licht van de eerdere bevindingen van de consulent en de ontwikkelingen die zich nadien met betrekking tot de patiënt voordoen. De arts zal dit zo nodig wel aan de commissie moeten kunnen uitleggen."

Uit het huisartsenjournaal, dat de arts heeft meegezonden, heeft de commissie op kunnen maken dat patiënte rond het moment van het bezoek van de consulent ernstige pijn had, die moeilijk onder controle te krijgen was. Kort na het bezoek van de consulent, zo bleek eveneens uit het journaal, heeft patiënte een morfinepomp gekregen, waarmee haar pijn draaglijk werd. Uit het journaal blijkt dat in de loop van de twee maanden die verstreken de dosering morfine regelmatig werd verhoogd. De situatie was daarmee voor patiënte te dragen. Kort voor het overlijden nam de pijn in hevigheid weer toe, ondanks het verhogen van de morfine. Patiënte heeft toen verzocht aan haar euthanasie te verlenen.

De commissie overweegt dat met deze informatie uit het journaal het tijdsverloop tussen het bezoek van de consulent en de uitvoering van de euthanasie afdoende verklaard is. Het ware beter geweest als de arts nog een keer contact had gelegd met de consulent en de situatie met hem had besproken, waarna deze laatste zijn eerdere verslag had kunnen aanvullen. In ieder geval had de arts er goed aan gedaan in het modelverslag zelf een verklaring te geven voor de langere periode. De commissie adviseert de arts dat in een voorkomend volgend geval wel te doen. Het leidt er echter niet toe dat de commissie van oordeel is dat niet aan de zorgvuldigheidseis van het raadplegen van een onafhankelijke arts is voldaan. Doorslaggegevend daarbij is dat het ziekteproces verliep zoals verwacht en de situatie van patiënte niet wezenlijk veranderde.

De commissie is van oordeel dat de arts ten minste één andere, onafhankelijke arts heeft geraadpleegd, die patiënte heeft gezien en schriftelijk zijn oordeel heeft gegeven over de zorgvuldigheidseisen.

Overige zorgvuldigheidseisen

Na het bestuderen van het dossier is de commissie tot de conclusie gekomen dat ook aan de overige zorgvuldigheidseisen is voldaan en dat die geen nadere motivering behoeven. De commissie is van oordeel dat de arts tot de overtuiging kon komen dat er sprake was van een vrijwillig en weloverwogen verzoek van patiënte en van uitzichtloos en ondraaglijk lijden. De arts heeft patiënte voldoende voorgelicht over de situatie waarin zij zich bevond en over zijn vooruitzichten. De arts kon met patiënte tot de overtuiging komen dat er voor de situatie waarin zij zich bevond geen redelijke andere oplossing was. De arts heeft de levensbeëindiging op verzoek medisch zorgvuldig uitgevoerd.

Beslissing

De arts heeft gehandeld overeenkomstig de zorgvuldigheidseisen bedoeld in artikel 2, eerste lid, WTL.