Oordeel 2021-42, zorgvuldig, arts, kanker, uitzichtloos en ondraaglijk lijden, geen redelijke andere oplossing, onafhankelijke arts geraadpleegd.

Een door de arts geraadpleegde SCEN-arts herkende de patiënt van een door hem uitgevoerd onderzoek. 

In deze melding bleek de door de arts geraadpleegde SCEN-arts patiënt te (her)kennen van een door hem uitgevoerd onderzoek. Dat onderzoek betrof een eenmalig diagnostisch onderzoek in het kader van het onderzoek naar de primaire tumor, dat enkele maanden voor de uitvoering van de euthanasie plaatsvond. De commissie zag zich voor de vraag gesteld of de consulent nog aan te merken was als een ‘onafhankelijk arts’. De commissie is van oordeel dat de aard van het contact ( geen intensief persoonlijk contact) in dit geval niet zodanig was dat dit het vermogen van de consulent om tot een onafhankelijk oordeel te komen heeft aangetast. Maar het verdient sterk de voorkeur dat een consulent op geen enkele wijze betrokken is geweest bij de patiënt.

Introductie van de casus

Bij patiënt, een man van tussen de 80-90 jaar, werd drie maanden voor het overlijden een ossaal, intramusculair, mesenteriaal, pleuraal en pulmonaal gemetastaseerd adenocarcinoom ten gevolge van een onbekende primaire tumor vastgesteld. Genezing was niet meer mogelijk.

Het lijden van patiënt bestond uit onbehandelbare pijn, misselijkheid, braken, gewichtsverlies en verzwakking. Patiënt was tot steeds minder in staat en wilde verdere aftakeling niet meemaken.

Patiënt sprak sinds anderhalve maand voor het overlijden met de arts over euthanasie. Zes dagen voor het overlijden heeft patiënt de arts om daadwerkelijke uitvoering van de levensbeëindiging verzocht. Patiënt heeft zijn verzoek nadien tegenover de arts herhaald.

De arts raadpleegde als consulent een SCEN-arts. De consulent had bij patiënt eenmalig een diagnostisch onderzoek gedaan in het kader van het onderzoek naar de primaire tumor. De consulent bezocht patiënt vier dagen voor de uitvoering van de levensbeëindiging.

De arts heeft de levensbeëindiging op verzoek uitgevoerd met de middelen, in de hoeveelheid en op de wijze als aanbevolen in de KNMG/KNMP Richtlijn Uitvoering euthanasie en hulp bij zelfdoding van augustus 2012.

Het toetsingskader in het algemeen

In artikel 2, eerste lid, van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding (hierna: WTL) staan de zes zorgvuldigheidseisen waaraan de arts moet voldoen, wanneer hij levensbeëindiging op verzoek of hulp bij zelfdoding toepast. De tekst van artikel 2, eerste lid, van de WTL is hier te vinden.

Het toetsingskader toegespitst op de casus

In deze casus heeft de commissie expliciet stilgestaan bij de zorgvuldigheidseis inzake de raadpleging van ten minste één andere, onafhankelijke arts, die de patiënt heeft gezien en schriftelijk zijn oordeel heeft gegeven over de zorgvuldigheidseisen, bedoeld in de onderdelen a tot en met d (artikel 2, eerste lid onder e WTL).

Overwegingen

Aan de hand van de feiten en omstandigheden ontleend aan het dossier en voor zover relevant overweegt de commissie als volgt.

Raadpleging andere, onafhankelijke arts
De commissie stelt op basis van het verslag van de consulent vast dat de consulent patiënt één keer eerder had ontmoet toen hij een diagnostische coloscopie (onder sedatie) bij patiënt had verricht. Bij het onderzoek werden geen verdachte afwijkingen gevonden. Volgens de consulent was er geen relatie tussen de bevindingen bij de coloscopie en de ziekte van patiënt. Bovendien kon patiënt zich hem niet herinneren. Uit het verslag van de arts blijkt dat de arts de consulent heeft benaderd omdat deze de dienstdoende SCEN-arts was.

Aangezien het de commissie niet duidelijk was wannéér de consulent de desbetreffende coloscopie had uitgevoerd, heeft de commissie dit schriftelijk nagevraagd aan de arts. De arts heeft hierop toegelicht dat de coloscopie eind 2020 door de consulent was uitgevoerd.

De commissie stelt vast dat de wet met betrekking tot de consulent spreekt van een 'onafhankelijke arts'. Onafhankelijkheid betekent in deze context dat de consulent in staat is om een eigen oordeel te geven. Daarbij gaat het om onafhankelijkheid ten opzichte van zowel de arts als de patiënt. Ook de schijn van afhankelijkheid moet voorkomen worden. Onafhankelijkheid van de consulent ten opzichte van de patiënt houdt onder meer in dat de consulent geen (mede)behandelaar van de patiënt is of recentelijk geweest is (EuthanasieCode 2018, pagina 29). Voorts vermeldt de EuthanasieCode 2018 dat een eenmalig contact tussen arts en patiënt [..] geen probleem hoeft te zijn. Dat zal afhangen van de aard van het contact en het moment waarop het plaatsvond.

In de onderhavige melding zag de commissie zich voor de vraag gesteld of de consulent nog aan te merken was als ‘onafhankelijk arts’, in de zin van onafhankelijk ten opzichte van de patiënt. De commissie overweegt daarover als volgt.

Door het uitvoeren van diagnostisch onderzoek (de coloscopie) is vast komen te staan dat de consulent in dit geval is opgetreden als medebehandelaar van patiënt.

Daar staat tegenover dat het in dit geval om een eenmalige diagnostische coloscopie ging, die omstreeks drie maanden voor het overlijden werd uitgevoerd. Het betrof een verkennend onderzoek in het ziekteproces van patiënt op verzoek van de behandelend internist. Er was geen sprake van intensief persoonlijk contact, omdat patiënt tijdens het onderzoek merendeel gesedeerd was, maar ook omdat het een tamelijk instrumenteel onderzoek betrof. De consulent heeft toegelicht dat patiënt zich hem niet herinnerde toen hij patiënt in het kader van de consultatie bezocht. De consulent heeft daarnaast, blijkens zijn SCEN-verslag, een afweging gemaakt ten aanzien van zijn onafhankelijkheid jegens de patiënt en geconcludeerd dat hij in staat was om zich een onafhankelijk oordeel te vormen over de zorgvuldigheidseisen bedoeld in artikel twee, eerste lid, a tot en met d, WTL.

De commissie kan meegaan in deze zienswijze. De aard van het contact was, zoals hierboven is vermeld, niet zodanig dat dit het vermogen van de consulent om tot een onafhankelijk oordeel te komen in relevante mate heeft aangetast. Evenmin is sprake geweest van een onoverkomelijke schijn van niet-onafhankelijkheid. Het verslag van de consulent geeft evenmin reden om te twijfelen aan zijn onafhankelijkheid. Alhoewel het sterk de voorkeur verdient dat een consulent op geen enkele wijze betrokken is geweest bij de patiënt, concludeert de commissie dat de arts er in dit geval van uit mocht gaan dat hij een onafhankelijke consulent heeft geraadpleegd.

Bij de hierboven omschreven stand van zaken heeft de arts zich naar het oordeel van de commissie deugdelijk gekweten van zijn taak tenminste één onafhankelijke arts te raadplegen, die patiënt heeft gezien en schriftelijk zijn oordeel heeft gegeven over de zorgvuldigheidseisen bedoeld in de onderdelen a tot en met d, en kennis te nemen van diens schriftelijk vastgelegde bevindingen.

Overige zorgvuldigheidseisen
Na het bestuderen van het dossier is de commissie tot de conclusie gekomen dat ook aan de overige zorgvuldigheidseisen is voldaan en dat die geen nadere motivering behoeven. De commissie is van oordeel dat de arts tot de overtuiging kon komen dat er sprake was van een vrijwillig en weloverwogen verzoek van patiënt en van uitzichtloos en ondraaglijk lijden. De arts heeft patiënt voldoende voorgelicht over de situatie waarin hij zich bevond en over zijn vooruitzichten. De arts kon met patiënt tot de overtuiging komen dat er voor de situatie waarin hij zich bevond geen redelijke andere oplossing was. De arts heeft de levensbeëindiging op verzoek medisch zorgvuldig uitgevoerd.

 

Beslissing

De arts heeft gehandeld overeenkomstig de zorgvuldigheidseisen bedoeld in artikel 2, eerste lid, WTL.