Oordeel 2021-23, zorgvuldig, arts, kanker, uitzichtloos en ondraaglijk lijden, vrijwillig en weloverwogen verzoek, geen redelijke andere oplossing,

Patiënt verzocht tegelijkertijd met zijn vrouw om euthanasie.

In deze melding was sprake van duo-euthanasie. De arts heeft op zorgvuldige wijze onderzocht of sprake was van een vrijwillig en weloverwogen verzoek. Het was zeer duidelijk dat sprake was van een terminale situatie en het verzoek voortkwam uit zijn eigen lijden. De arts en zijn collega van Expertisecentrum Euthanasie, die het verzoek van de echtgenote onderzocht, hebben ieder een andere consulent geraadpleegd.
 

Introductie van de casus

Bij patiënt, een man tussen de 70-80 jaar, was sprake van een (uiteindelijk gemetastaseerd) prostaatcarcinoom, dat ondanks de ingezette therapieën niet meer te genezen was. Mede omdat hij dat niet meer kon opbrengen en omwille van de zorg voor zijn echtgenote, zag patiënt af van palliatieve chemotherapie en bloedtransfusies.

Het lijden van patiënt bestond uit een steeds in ernst toenemende pijn en vermoeidheid. Hij voelde zich met de dag achteruitgaan en was een schim geworden van de man die hij was geweest. Ook zijn zorgafhankelijkheid viel hem zwaar. Hij had zijn situatie lang kunnen dragen, mede door zijn toegewijde verzorging voor zijn echtgenote, maar uiteindelijk hield dit hem ook niet meer op de been.

Omdat patiënt gelijktijdig met zijn echtgenote wilde overlijden en hun huisarts dat verzoek te complex vond, werd contact gelegd met EE. Circa een maand voor het overlijden verzocht patiënt om daadwerkelijke uitvoering van de levensbeëindiging, in welk verzoek hij nadien persisteerde.

De arts raadpleegde een onafhankelijke SCEN-arts, die patiënt elf dagen voor de levensbeëindiging bezocht. De arts heeft de levensbeëindiging op verzoek uitgevoerd met de middelen, in de hoeveelheid en op de wijze als aanbevolen in de KNMG/KNMP Richtlijn Uitvoering euthanasie en hulp bij zelfdoding van augustus 2012.

Het toetsingskader in het algemeen

In artikel 2, eerste lid, van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding (hierna: WTL) staan de zes zorgvuldigheidseisen waaraan de arts moet voldoen, wanneer hij levensbeëindiging op verzoek of hulp bij zelfdoding toepast. De tekst van artikel 2, eerste lid, van de WTL is hier te vinden.

Het toetsingskader toegespitst op de casus

In deze casus is sprake van een patiënt die tegelijkertijd met zijn partner verzocht heeft om euthanasie. Het verzoek van zijn echtgenote is door een andere arts beoordeeld. In dergelijke meldingen (ook wel duo-euthanasie genoemd) wordt door de commissie expliciet onderzocht of er sprake was van een vrijwillig en weloverwogen verzoek (artikel 2, eerste lid onder a, WTL) en of er voor beide partners een andere onafhankelijke arts is geraadpleegd (artikel 2, eerste lid onder e, WTL).

Overwegingen

Aan de hand van de feiten en omstandigheden ontleend aan het dossier en voor zover relevant overweegt de commissie als volgt.

Vrijwillig en weloverwogen verzoek
In het geval partners gelijktijdig een verzoek tot uitvoering van euthanasie doen en indien op beide verzoeken wordt ingegaan, moet vaststaan dat het verzoek van de ene partner niet oneigenlijk is beïnvloed of is ingegeven door dat van de andere partner. Daarom moet komen vast te staan dat elk van beide verzoeken vrijwillig en weloverwogen is gedaan.

De commissie leest in het dossier dat patiënt in een terminale fase van zijn ziekte terechtgekomen was en dat het lijden dat uit zijn gezondheidssituatie voortkwam de reden was voor zijn verzoek om euthanasie. Bovendien wordt patiënt door de arts en de consulent getypeerd als een op zijn autonomie gestelde man, die eigenstandig en ondanks de zorg voor zijn echtgenote, tot zijn besluit gekomen was. De arts en consulent waren ervan overtuigd dat er geen sprake was van druk vanuit zijn echtgenote of anderen.

De commissie is gelet op het voorgaande van oordeel dat de arts tot de overtuiging kon komen dat er sprake was van een vrijwillig en weloverwogen verzoek.

Consultatie
Indien een arts besluit of, zoals in dit geval, twee verschillende artsen, zoals in onderhavige situatie het geval was, besluiten om in te gaan op de euthanasieverzoeken van twee partners, verwachten de commissies dat de arts of artsen in zo’n geval voor ieder van de partners een andere consulent raadpleegt/raadplegen. Deze werkwijze waarborgt dat iedere casus afzonderlijk wordt beoordeeld en alle schijn van niet-onafhankelijkheid bij de beoordeling wordt voorkomen. Beide consulenten moeten zich ervan vergewissen, dat er geen oneigenlijk druk bestaat van de ene partner op (het euthanasieverzoek van) de andere partner (EuthanasieCode 2020 pagina 31).

De commissie stelt vast dat overeenkomstig de hierboven omschreven werkwijze bij deze twee gelijktijdige verzoeken om uitvoering van euthanasie van twee partners het verzoek van patiënt is beoordeeld door een consulent die niet was betrokken bij het verzoek van zijn partner. Tevens heeft de consulent in zijn verslag onderbouwd dat patiënt zijn verzoek vrijwillig heeft gedaan en dat hij op geen enkele wijze druk heeft ervaren, ook niet van zijn partner.

De commissie is gelet op het voorgaande van oordeel dat de arts tenminste één andere, onafhankelijke arts heeft geraadpleegd, die patiënt heeft gezien en schriftelijk zijn/haar oordeel heeft gegeven over de zorgvuldigheidseisen.

Overige zorgvuldigheidseisen

Na het bestuderen van het dossier is de commissie tot de conclusie gekomen dat ook aan de overige zorgvuldigheidseisen is voldaan en dat die geen nadere motivering behoeven. De commissie is van oordeel dat de arts tot de overtuiging kon komen dat er sprake was van uitzichtloos en ondraaglijk lijden. De arts heeft de patiënt voldoende voorgelicht over de situatie waarin deze zich bevond en over zijn vooruitzichten. De arts kon met patiënt tot de overtuiging komen dat er voor de situatie waarin hij zich bevond geen redelijke andere oplossing was. De arts heeft de levensbeëindiging op verzoek medisch zorgvuldig uitgevoerd.

Beslissing

De arts heeft gehandeld overeenkomstig de zorgvuldigheidseisen bedoeld in artikel 2, eerste lid, WTL.