Oordeel 2021-22, zorgvuldig, huisarts, arts, dementie, uitzichtloos en ondraaglijk lijden, vrijwillig en weloverwogen verzoek, geen redelijke andere oplossing, onafhankelijke arts geraadpleegd.

Patiënte verzocht tegelijkertijd met haar man om euthanasie.

In deze melding was sprake van duo-euthanasie en dementie. De arts heeft op zorgvuldige wijze onderzocht of sprake was van een vrijwillig en weloverwogen. De arts en haar collega van het Expertisecentrum Euthanasie, die het verzoek van de echtgenoot onderzocht, hebben ieder een andere consulent geraadpleegd.

Introductie van de casus

Bij patiënte, een vrouw van tussen 80-90 jaar, werd ongeveer anderhalf jaar voor het overlijden een combinatie van de ziekte van Alzheimer en vasculaire dementie vastgesteld. Enkele maanden voor haar overlijden was sprake van een duidelijke achteruitgang van haar situatie.

Patiënte leed onder de cognitieve achteruitgang en het daarmee samenhangende voortschrijdende verlies van persoonlijkheid en vaardigheden. In de laatste maanden voor het overlijden was sprake van een sterke knik ten negatieve. Patiënte, die altijd een zelfstandige, actieve en creatieve vrouw was geweest, verloor steeds meer de grip op haar dagelijkse leven. Dit vergde emotioneel veel van haar. Zij voelde zich ‘geen normaal mens’ en in haar hoofd ‘was het rommelig’. Zij gaf aan: ‘ik besta niet meer’. Patiënte leed onder de toenemende afhankelijkheid, de uitzichtloosheid van haar situatie en het reële vooruitzicht van verdere cognitieve achteruitgang. Bovendien leed zij onder het zekere vooruitzicht dat zij met het overlijden van haar echtgenoot, die eveneens om euthanasie had verzocht vanwege een ernstige terminale ziekte, naar een zorginstelling zou moeten verhuizen. Dat was voor patiënte een onaanvaardbaar vooruitzicht.

Omdat patiënte gelijktijdig met haar echtgenoot wilde overlijden en hun huisarts dat verzoek te complex vond, werd contact gelegd met EE. De arts bezocht patiënte driemaal. Direct tijdens het eerste bezoek, circa een maand voor het overlijden, verzocht patiënte om daadwerkelijke uitvoering van de levensbeëindiging. Nadien heeft zij dat verzoek bij elk contact herhaald.

De arts raadpleegde een onafhankelijke SCEN-arts, die patiënte acht dagen voor de levensbeëindiging bezocht.
De arts heeft de levensbeëindiging op verzoek uitgevoerd met de middelen, in de hoeveelheid en op de wijze als aanbevolen in de KNMG/KNMP Richtlijn Uitvoering euthanasie en hulp bij zelfdoding van augustus 2012.

Het toetsingskader in het algemeen

In artikel 2, eerste lid, van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding (hierna: WTL) staan de zes zorgvuldigheidseisen waaraan de arts moet voldoen, wanneer hij levensbeëindiging op verzoek of hulp bij zelfdoding toepast. De tekst van artikel 2, eerste lid, van de WTL is hier te vinden.

Het toetsingskader toegespitst op de casus

In deze casus is sprake van een patiënte die tegelijkertijd met haar partner verzocht heeft om euthanasie. In dergelijke meldingen (ook wel duo-euthanasie genoemd) wordt door de commissie expliciet onderzocht of er sprake was van een vrijwillig en weloverwogen verzoek (artikel 2, eerste lid onder a, WTL) en of er voor beide partners een andere onafhankelijke arts is geraadpleegd (artikel 2, eerste lid onder e, WTL).

Overwegingen

Aan de hand van de feiten en omstandigheden ontleend aan het dossier en voor zover relevant overweegt de commissie als volgt.

Vrijwillig en weloverwogen verzoek

Overwegingen
In het geval partners gelijktijdig een verzoek tot uitvoering van euthanasie doen en indien op beide verzoeken wordt ingegaan, moet vaststaan dat het verzoek van de ene partner niet oneigenlijk is beïnvloed of is ingegeven door dat van de andere partner. Daarom moet komen vast te staan dat elk van beide verzoeken vrijwillig en weloverwogen is gedaan.

Daarnaast wordt, in het geval er bij een patiënt sprake is van dementie, van de arts gevraagd met grote behoedzaamheid na te gaan of aan de wettelijke zorgvuldigheidseisen is voldaan, in het bijzonder de eis inzake de vrijwilligheid en weloverwogenheid van het verzoek.
Het is de commissie duidelijk geworden dat de grondslag van het verzoek van patiënte gelegen was in de cognitieve achteruitgang en de daarmee samenhangende toenemende zorgafhankelijkheid. Zij gaf daarbij weliswaar blijk van een groot gevoel van lotsverbondenheid met haar echtgenoot, echter het verzoek werd ingegeven door het lijden dat voortkwam uit haar persoonlijke situatie.

Patiënte kon niet meer voldoende voor zichzelf zorgen en met het wegvallen van de zorg van haar echtgenoot zou haar een opname in een zorginstelling wachten; een perspectief dat patiënte verafschuwde en door haar resoluut afgewezen werd. Hoewel het lijden van patiënte verband hield met de situatie van haar echtgenoot, maakte zij hierin haar persoonlijke afweging. Zij gaf aan ook om euthanasie te hebben gevraagd als haar echtgenoot niet ook ziek geweest was. De arts was ervan overtuigd dat het verzoek van patiënte niet was beïnvloed door haar echtgenoot of anderen in haar omgeving.

Tevens heeft de arts in het modelverslag en ook in de bezoekverslagen op duidelijke wijze toegelicht waarom zij ervan overtuigd was dat patiënte wilsbekwaam terzake was. Patiënte verlangde op een nuchtere en weloverwogen manier naar een waardig einde, samen met haar echtgenoot.

De commissie is van oordeel dat de arts grote behoedzaamheid heeft betracht bij het vaststellen van de wilsbekwaamheid van patiënte. Zij heeft stilgestaan bij de cognitieve achteruitgang van patiënte en mogelijke druk van de echtgenoot. Alles afwegende concludeerde de arts vervolgens dat sprake was van een vrijwillig en weloverwogen verzoek. Daarbij neemt de commissie tevens in aanmerking dat de arts hierin werd bevestigd door de geraadpleegde consulent.

De commissie is gelet op het voorgaande van oordeel dat de arts tot de overtuiging kon komen dat er sprake was van een vrijwillig en weloverwogen verzoek.

Consultatie
Overwegingen
Indien een arts besluit of, zoals in dit geval, twee verschillende artsen besluiten om in te gaan op de euthanasieverzoeken van twee partners, verwacht de commissie dat de arts of artsen in zo’n geval voor ieder van de partners een andere consulent raadpleegt/raadplegen. Deze werkwijze waarborgt dat iedere casus afzonderlijk wordt beoordeeld en dat alle schijn van niet-onafhankelijkheid bij de beoordeling wordt voorkomen. Beide consulenten moeten zich ervan vergewissen dat er geen oneigenlijk druk bestaat van de ene partner op (het euthanasieverzoek van) de andere partner (EuthanasieCode 2020 pagina 31).

De commissie stelt vast dat overeenkomstig de hierboven omschreven werkwijze bij deze twee gelijktijdige verzoeken om uitvoering van euthanasie van twee partners het verzoek van patiënte is beoordeeld door een consulent die niet was betrokken bij het verzoek van haar partner. Tevens heeft de consulent in zijn verslag onderbouwd dat patiënte haar verzoek vrijwillig heeft gedaan en dat zij op geen enkele wijze druk heeft ervaren, ook niet van haar echtgenoot.

De commissie is gelet op het voorgaande van oordeel dat de arts tenminste één andere, onafhankelijke arts heeft geraadpleegd, die patiënte heeft gezien en schriftelijk zijn oordeel heeft gegeven over de zorgvuldigheidseisen.

Overige zorgvuldigheidseisen
Na het bestuderen van het dossier is de commissie tot de conclusie gekomen dat ook aan de overige zorgvuldigheidseisen is voldaan en dat die geen nadere motivering behoeven. De commissie is van oordeel dat de arts tot de overtuiging kon komen dat er sprake was van uitzichtloos en ondraaglijk lijden. De arts heeft de patiënte voldoende voorgelicht over de situatie waarin zij zich bevond en over haar vooruitzichten. De arts kon met patiënte tot de overtuiging komen dat er voor de situatie waarin zij zich bevond geen redelijke andere oplossing was. De arts heeft de levensbeëindiging op verzoek medisch zorgvuldig uitgevoerd.

Beslissing

De arts heeft gehandeld overeenkomstig de zorgvuldigheidseisen bedoeld in artikel 2, eerste lid, WTL.