Oordeel 2020-106, zorgvuldig, NVO-melding, dementie, vrijwillig en weloverwogen verzoek

Bijzondere vorm van dementie, geen twijfel over de wilsbekwaamheid zodat volstaan kon worden met de reguliere consultatieprocedure.

In meldingen waarin de commissie van oordeel is dat de arts aan alle zorgvuldigheidseisen voldaan heeft en die geen enkele vraag oproepen, wordt de arts vrijwel altijd in een korte brief op de hoogte gesteld van de uitkomst van de beoordeling. De hieronder staande casus betreft een dergelijke melding. De tekst is dus niet een verzonden oordeel, maar een samenvatting van de casuïstiek van de betreffende melding.

Bij een man, tussen de zeventig en tachtig jaar, werd drie jaar voor het overlijden posterieure corticale atrofie vastgesteld. Dit betreft een zeldzame vorm van dementie, die zich na verloop van tijd net als de ziekte van Alzheimer ontwikkelt. Genezing was niet mogelijk. De behandeling was uitsluitend palliatief van aard.

Het lijden van de man bestond uit gestage cognitieve achteruitgang, zoals geheugenverlies, overzichtsverlies en verlies van oriëntatie in plaats en tijd. Ongeveer drie maanden voor het overlijden raakte de man besmet met COVID-19 waarvoor hij werd opgenomen in het ziekenhuis. Nadat de man hiervan hersteld was, werd hij opgenomen op een revalidatie-afdeling van een verpleeghuis, hetgeen hij vreselijk vond. De man kon uiteindelijk bijna niets meer onthouden, was zijn spullen steeds kwijt, kon dagelijkse handelingen niet meer zonder hulp uitvoeren en herkende bekenden soms niet meer. Hij verloor in toenemende mate zijn grip op het leven en dat maakte hem angstig. Deze situatie vergde emotioneel veel van de man. Hij leed onder de uitzichtloosheid van zijn situatie, de leegheid van zijn bestaan en het reële vooruitzicht van verdere cognitieve achteruitgang. De man ervoer zijn lijden als ondraaglijk.

De man had eerder met de huisarts over euthanasie gesproken. Hij vond de casus te complex om tot uitvoering over te gaan. Hierop wendde de man zich tot Expertisecentrum Euthanasie. Tijdens het eerste bezoek van de arts, een jaar voor het overlijden, werd informatief gesproken over euthanasie en werd afgesproken dat de man weer contact zou opnemen met de arts zodra zijn euthanasiewens actueel zou worden. Tijdens het tweede bezoek van de arts aan de man, ongeveer vijf maanden voor het overlijden, verzocht de man om daadwerkelijke uitvoering van de levensbeëindiging. Hierna sprak de arts nog tweemaal met de man die persisteerde in zijn verzoek. 

De arts stelde vast dat, hoewel er cognitieve problemen waren, de man zich bewust was van de strekking en consequenties van zijn verzoek. Hij achtte de man wilsbekwaam ter zake. Volgens de arts was er sprake van een vrijwillig en weloverwogen verzoek. De arts was ervan overtuigd dat het lijden voor de man ondraaglijk en naar heersend medisch inzicht uitzichtloos was. Er waren geen voor de man aanvaardbare mogelijkheden meer om het lijden te verlichten. Verder kon uit de stukken worden afgeleid dat de arts de man voldoende had voorgelicht over de situatie waarin hij zich bevond en zijn vooruitzichten.

De arts raadpleegde een onafhankelijke SCEN-arts als consulent. Deze bezocht de man een maand voor het overlijden. Hij had ondanks de onmiskenbare cognitieve stoornissen, geen twijfel over de wilsbekwaamheid van de man ter zake. De consulent kwam tot de conclusie dat ook aan de overige zorgvuldigheidseisen werd voldaan.

De arts voerde de euthanasie vervolgens uit met de middelen, in de hoeveelheid en op de wijze als aanbevolen in de KNMG/KNMP Richtlijn Uitvoering euthanasie en hulp bij zelfdoding van augustus 2012.

In het geval er bij een patiënt sprake is van dementie wordt van de arts gevraagd met extra behoedzaamheid na te gaan of aan de wettelijke zorgvuldigheidseisen is voldaan, in het bijzonder de eis inzake de vrijwilligheid en weloverwogenheid van het verzoek en het ondraaglijk lijden van de patiënt. Daarbij heeft de arts een zekere beoordelingsruimte. In de beginfase van dementie zal in het algemeen met de reguliere consultatieprocedure kunnen worden volstaan. Bij twijfel over de wilsbekwaamheid van de patiënt ligt het voor de hand dat de arts specifiek daarover advies van een deskundige collega vraagt (EuthanasieCode 2018, pagina 43).

De commissie kwam tot het oordeel dat de arts gehandeld heeft overeenkomstig de zorgvuldigheidseisen.