Oordeel 2018-98, zorgvuldig, huisarts, kanker, vrijwillig en weloverwogen verzoek

Kort euthanasietraject

Ondanks pas kort bestaande concrete euthanasiewens, op basis van acute verslechtering van de situatie, kon de arts in de gegeven omstandigheden tot de overtuiging komen dat patiënte een weloverwogen verzoek uitte

Feiten en omstandigheden

Uit de verslaglegging van de arts en de consulent en de overige ontvangen gegevens is gebleken ten aanzien van:

a. Karakter van het lijden, voorlichting en alternatieven

Patiënte, een vrouw van 70-80 jaar, was vanaf achttien jaar voor het overlijden bekend met een cervixcarcinoom. Een jaar voor het overlijden werd er metastasering naar de longen en lymfeklieren vastgesteld. Zij onderging behandeling met chemotherapie. Desondanks was er bij patiënte sprake van een progressief ziektebeeld en een steeds verdere conditionele achteruitgang.

De dag voor het overlijden verslechterde haar situatie acuut. Op de dag van het overlijden kon patiënte, waarschijnlijk als gevolg van een afgesloten slokdarm, niets meer drinken. Desondanks bleef het braken aanhouden waardoor zij uitgeput was geraakt.

Genezing was niet meer mogelijk. De behandeling was uitsluitend nog palliatief van aard.Het lijden van patiënte bestond uit ernstige verzwakking, onophoudelijk hevig braken en bedlegerigheid. Zij kon zich niet meer omdraaien in bed en was zorgafhankelijk. De laatste weken voor het overlijden kon patiënte door haar slikproblemen ook niet meer eten en nauwelijks nog drinken. Kort voor het overlijden kon zij niets meer drinken. Zelfs als zij niets dronk bleef het braken aanhouden waardoor zij uitgeput raakte.

Zij leed onder de ontluistering van haar situatie en kon het leven met haar beperkingen niet langer meer verdragen. Patiënte wenste op zeer korte termijn te overlijden.

Patiënte ervoer haar lijden als ondraaglijk. De arts was ervan overtuigd dat het lijden voor patiënte ondraaglijk en naar heersend medisch inzicht uitzichtloos was. Er waren geen voor patiënte aanvaardbare mogelijkheden meer om het lijden te verlichten. Uit de stukken kan worden afgeleid dat de arts en de specialisten patiënte voldoende hebben voorgelicht over de situatie waarin zij zich bevond en haar vooruitzichten.

b. Verzoek tot levensbeëindiging

Patiënte had eerder met de arts over euthanasie gesproken. Aanvankelijk leek patiënte niet te willen kiezen voor euthanasie, maar een natuurlijke dood te willen afwachten. Toen dat uitbleef en kort voor het overlijden haar toestand acuut zodanig verslechterde dat zij niet meer verder wilde leven, verzocht zij de arts een SCEN-arts in te schakelen. Sedatie werd door patiënte afgewezen.

Patiënte sprak op de dag van het overlijden met de arts over euthanasie en heeft de arts daarbij herhaaldelijk om daadwerkelijke uitvoering van de levensbeëindiging verzocht. Patiënte heeft haar verzoek tevens vlak voorafgaand aan de toediening van de euthanatica tegenover de arts herhaald.

De arts was ervan overtuigd dat patiënte helder en consequent was in haar visie met betrekking tot haar levenseinde. De arts was van oordeel dat er sprake was van de noodzaak tot daadwerkelijke uitvoering van de levensbeëindiging op dezelfde dag van het bezoek van de consulent.
Volgens de arts was er sprake van een vrijwillig en weloverwogen verzoek.

c. Consultatie

De arts raadpleegde als consulent een onafhankelijke SCEN-arts. De consulent bezocht patiënte op de dag van de levensbeëindiging nadat zij door de arts over patiënte was geïnformeerd en inzage had gekregen in de relevante medische documentatie.

De consulent gaf in haar verslag een samenvatting van de ziektegeschiedenis en de aard van het lijden van patiënte. Volgens de consulent was er bij patiënte sprake een zeer urgente terminale situatie. Derhalve heeft de consulent direct na het bezoek aan patiënte contact opgenomen met de praktijk van de arts en een voorlopige conclusie opgesteld, zodat de arts in staat zou zijn om over te gaan tot de daadwerkelijke uitvoering van de levensbeëindiging.

De arts heeft (telefonisch) contact gehad met zijn praktijkcollega en met de consulent. De arts is na deze contacten en op basis van het tussenbericht van de consulent overgegaan tot de uitvoering.

Hierna heeft de consulent haar verslag aan de arts toegezonden. In haar verslag kwam de consulent mede op basis van het gesprek met patiënte tot de conclusie dat aan de zorgvuldigheidseisen was voldaan.

d. Uitvoering

De arts heeft de levensbeëindiging op verzoek uitgevoerd met de middelen, in de hoeveelheid en op de wijze als aanbevolen in de KNMG/KNMP Richtlijn Uitvoering euthanasie en hulp bij zelfdoding van augustus 2012.

Beoordeling

De commissie toetst achteraf het handelen van de arts aan de hand van de zorgvuldigheidseisen vastgelegd in artikel 2 van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding.

Ten aanzien van de weloverwogenheid van het verzoek overweegt de commissie als volgt.

Op basis van de informatie van de arts en de consulent is voor de commissie komen vast te staan dat patiënte door een zeer snelle fysieke verslechtering in een urgente terminale toestand terecht was gekomen. Zij had aanvankelijk de wens om in te slapen, maar toen een natuurlijke dood uitbleef en zij in een voor haar onhoudbare situatie was terecht gekomen, verzocht zij de arts een consulent te raadplegen.

Sedatie was besproken, maar door patiënte afgewezen; zij wilde euthanasie. Dezelfde dag als waarop de consulent patiënte had bezocht, verzocht patiënte de arts herhaaldelijk om uitvoering van de euthanasie en heeft de arts de euthanasie uitgevoerd.

Patiënte was door de arts en specialist voorgelicht over haar situatie en volgens de arts helder en consequent in haar denken. Gelet op het voorgaande overweegt de commissie dat patiënte een zorgvuldige afweging heeft kunnen maken op basis van voldoende informatie en een helder ziekte-inzicht.

Het verzoek is naar het oordeel van de commissie consistent nu patiënte haar verzoek meerdere keren heeft herhaald. Het verzoek is naar het oordeel van de commissie niet in een opwelling gedaan omdat patiënte in een voor haar onhoudbare situatie terecht was gekomen en de klachten refractair en progressief waren. Een euthanasieverzoek hoeft in beginsel niet duurzaam te zijn (zie EuthanasieCode 2018). De commissie oordeelt dat gelet op het voorgaande de arts bij deze patiënte tot de overtuiging heeft kunnen komen dat haar verzoek weloverwogen was.

Gelet op bovenstaande feiten en omstandigheden is de commissie van oordeel dat de arts tot de overtuiging kon komen dat er sprake was van een vrijwillig en zoals reeds vermeld een weloverwogen verzoek van de patiënte en van uitzichtloos en ondraaglijk lijden. De arts heeft de patiënte voldoende voorgelicht over de situatie waarin deze zich bevond en over haar vooruitzichten. De arts is met patiënte tot de overtuiging kunnen komen dat er voor de situatie waarin zij zich bevond geen redelijke andere oplossing was.

Ten aanzien van de consultatie overweegt de commissie als volgt.

Voor de commissie is komen vast te staan dat de arts vóór de uitvoering van de euthanasie (telefonisch) contact heeft gehad met zijn collega in de praktijk en met de consulent. Hiermee heeft de arts vóór uitvoering van de euthanasie kennis genomen van het schriftelijk tussenbericht en van de bevindingen van de consulent door telefonisch contact met de consulent zelf. De consulent heeft haar verslag later toegezonden.

De arts heeft hiermee naar het oordeel van de commissie tenminste één andere, onafhankelijke arts geraadpleegd, die patiënte heeft gezien en schriftelijk haar oordeel heeft gegeven over de zorgvuldigheidseisen. De arts heeft de levensbeëindiging op verzoek medisch zorgvuldig uitgevoerd.

Beslissing

De arts heeft gehandeld overeenkomstig de zorgvuldigheidseisen bedoeld in artikel 2 lid 1 van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding.