Oordeel 2018-63, zorgvuldig, huisarts, kanker, zorgvuldigheidseisen algemeen

Huisarts wilde aanvankelijk niet ingaan op euthanasieverzoek vanwege stapeling van ouderdomsklachten

Patiënte vroeg om euthanasie vanwege een stapeling van ouderdomsklachten. De huisarts wilde niet ingaan op haar verzoek, waarop patiënte zich wendde tot de SLK. Vervolgens werd een pancreaskopcarcinoom gediagnosticeerd. De huisarts wilde op dat moment het euthanasietraject overnemen maar patiënte wenste het traject met de SLK voort te zetten.

Feiten en omstandigheden

Uit de verslaglegging van de arts en de consulent en de overige ontvangen gegevens is gebleken ten aanzien van:

a. Karakter van het lijden, voorlichting en alternatieven

Bij patiënte, een vrouw van 80-90 jaar, was sprake van algehele conditionele achteruitgang en pijnklachten als gevolg van een gemetastaseerd pancreascarcinoom. Pijnstilling bood onvoldoende soelaas voor de pijnklachten en zij zag af van nadere diagnostiek of behandeling. Tevens was patiënte sinds tien jaar voor het overlijden bekend met wervelinzakkingen bij osteoporose.

Genezing was niet meer mogelijk. De behandeling was uitsluitend nog palliatief van aard. Het lijden van patiënte bestond uit toenemend verlies van conditie en pijn. Daarnaast had zij nauwelijks eetlust, was zij fors vermagerd en lag zij veel op bed. Patiënte, die altijd een actieve en zelfstandige vrouw was geweest, kon steeds minder en kreeg driemaal daags thuiszorg. Zij leed onder haar toenemende zorgafhankelijkheid en de uitzichtloosheid van haar situatie. Patiënte had in haar familie de gevolgen van hetzelfde ziektebeeld gezien en wilde een verdere lijdensweg niet meemaken.

Patiënte ervoer haar lijden als ondraaglijk. De arts was ervan overtuigd dat het lijden voor patiënte ondraaglijk en naar heersend medisch inzicht uitzichtloos was. Er waren geen voor patiënte aanvaardbare mogelijkheden meer om het lijden te verlichten. Uit de stukken kan worden afgeleid dat de arts en de specialisten patiënte voldoende hebben voorgelicht over de situatie waarin zij zich bevond en haar vooruitzichten.

b. Verzoek tot levensbeëindiging

Patiënte had eerder met de huisarts over euthanasie gesproken. De huisarts wilde geen euthanasie uitvoeren op grond van algehele achteruitgang en pijn. Daarop wendde patiënte zich ongeveer drieënhalve maand voor het overlijden tot de SLK. Tijdens het traject bij de SLK is patiënte gediagnosticeerd met een pancreascarcinoom. De huisarts was toen bereid het verzoek te honoreren, echter patiënte wenste het traject met de SLK voor te zetten.

De arts heeft zes keer uitvoerig met patiënte gesproken. Het eerste gesprek vond ruim anderhalve maand voor het overlijden plaats. Twee weken voor het overlijden, tijdens het vierde gesprek, heeft patiënte de arts om daadwerkelijke uitvoering van de levensbeëindiging verzocht. Patiënte heeft haar verzoek in de twee daarop volgende gesprekken tegenover de arts herhaald. Volgens de arts was er sprake van een vrijwillig en weloverwogen verzoek.

c. Consultatie

De arts raadpleegde als consulent een onafhankelijke SCEN-arts. De consulent bezocht patiënte een maand voor de levensbeëindiging nadat hij door de arts over patiënte was geïnformeerd en inzage had gekregen in de relevante medische documentatie. De consulent gaf in zijn verslag een samenvatting van de ziektegeschiedenis en de aard van het lijden van patiënte. In zijn verslag kwam de consulent mede op basis van het gesprek met patiënte tot de conclusie dat aan de zorgvuldigheidseisen was voldaan.

d. Uitvoering

De arts heeft de levensbeëindiging op verzoek uitgevoerd met de middelen, in de hoeveelheid en op de wijze als aanbevolen in de KNMG/KNMP Richtlijn Uitvoering euthanasie en hulp bij zelfdoding van augustus 2012.

Beoordeling

De commissie toetst achteraf het handelen van de arts aan de hand van de zorgvuldigheidseisen vastgelegd in artikel 2 van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding.

Gelet op bovenstaande feiten en omstandigheden is de commissie van oordeel dat de arts tot de overtuiging kon komen dat er sprake was van een vrijwillig en weloverwogen verzoek van de patiënte en van uitzichtloos en ondraaglijk lijden. De arts heeft de patiënte voldoende voorgelicht over de situatie waarin deze zich bevond en over haar vooruitzichten. De arts is met patiënte tot de overtuiging kunnen komen dat er voor de situatie waarin zij zich bevond geen redelijke andere oplossing was. De arts heeft tenminste één andere, onafhankelijke arts geraadpleegd, die patiënte heeft gezien en schriftelijk zijn oordeel heeft gegeven over de zorgvuldigheidseisen. De arts heeft de levensbeëindiging op verzoek medisch zorgvuldig uitgevoerd.

Beslissing

De arts heeft gehandeld overeenkomstig de zorgvuldigheidseisen bedoeld in artikel 2 lid 1 van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding.