Oordeel 2018-38, zorgvuldig, medisch specialist, kanker, uitzichtloos en ondraaglijk lijden, vrijwillig en weloverwogen verzoek

Reversibele toestand van verlaagd bewustzijn

Euthanasie bij een reversibele toestand van verlaagd bewustzijn. In verband met ondraaglijk lijden werd patiënt bewust gesedeerd tot aan de uitvoering van de levensbeëindiging. Arts en patiënt hebben vooraf duidelijke afspraken over de uitvoering gemaakt.

Feiten en omstandigheden

Uit de verslaglegging van de arts en de consulent en de overige ontvangen gegevens is gebleken ten aanzien van:

a. Karakter van het lijden, voorlichting en alternatieven

Bij patiënt, een man van 60-70 jaar, werd een jaar voor het overlijden een gemetastaseerd longcarcinoom vastgesteld. In de laatste maanden voor het overlijden was er sprake van een snelle verslechtering van zijn toestand. Patiënt werd getroffen door het vena cava superior syndroom. Ook was er sprake van een wervelinzakking door een botmetastase. Daarnaast ontwikkelde patiënt pleuritis carcinomatosa en was hij cachectisch. De situatie werd gecompliceerd door onder meer atriumfibrilleren, koorts en recidiverende urineweginfecties. Ongeveer twee weken voor het overlijden werd patiënt in het ziekenhuis opgenomen. Genezing was niet meer mogelijk. De behandeling was uitsluitend nog palliatief van aard.

Het lijden van patiënt bestond uit algehele lichamelijke achteruitgang. Patiënt had veel pijn, voelde zich continu benauwd en was ernstig vermoeid. Daarnaast was hij verzwakt en was er sprake van mobiliteitsverlies. Hij leed onder de toenemende zorgafhankelijkheid en de uitzichtloosheid van zijn situatie. Patiënt vreesde voor complicaties, ervoer geen kwaliteit van leven meer en wilde verdere aftakeling niet meemaken. Patiënt ervoer zijn lijden als ondraaglijk. De arts was ervan overtuigd dat het lijden voor patiënt ondraaglijk en naar heersend medisch inzicht uitzichtloos was. Er waren geen voor patiënt aanvaardbare mogelijkheden meer om het lijden te verlichten.

Uit de stukken kan worden afgeleid dat de arts en de specialisten patiënt voldoende hebben voorgelicht over de situatie waarin hij zich bevond en zijn vooruitzichten.

b. Verzoek tot levensbeëindiging

Patiënt had eerder met de arts over euthanasie gesproken. Tijdens deze gesprekken werd ook de mogelijkheid van palliatieve sedatie besproken. Patiënt verklaarde, in bijzijn van onder meer verschillende familieleden, eventuele sedatie alleen te wensen om de periode naar de uitvoering van de levensbeëindiging te overbruggen. Patiënt gaf aan, indien sedatie zou worden toegepast, de uitvoering van euthanasie zo spoedig mogelijk daarna te wensen.

Vijf dagen voor het overlijden heeft patiënt de arts om daadwerkelijke uitvoering van de levensbeëindiging verzocht. Patiënt heeft zijn verzoek nadien tegenover de arts herhaald. Volgens de arts was er sprake van een vrijwillig en weloverwogen verzoek.

c. Consultatie

De arts raadpleegde als consulent een onafhankelijke SCEN-arts. De consulent bezocht patiënt twee dagen voor de levensbeëindiging nadat zij door de arts over patiënt was geïnformeerd en inzage had gekregen in de relevante medische documentatie.

De consulent gaf in haar verslag een samenvatting van de ziektegeschiedenis en de aard van het lijden van patiënt. In haar verslag kwam de consulent mede op basis van het gesprek met patiënt tot de conclusie dat aan de zorgvuldigheidseisen was voldaan.

d. Uitvoering

Twee dagen voor de geplande levensbeëindiging gaf patiënt aan dat hij moegestreden was en dat zijn grens was bereikt. Patiënt gaf expliciet aan geen palliatieve sedatie te wensen als de euthanasie dan geen doorgang zou kunnen vinden. De arts heeft patiënt onder verwijzing naar de Code of Practice ingelicht over de mogelijkheden van euthanasie na (palliatieve) sedatie.

Er werd in overleg met patiënt besloten om patiënt te sederen tot aan de uitvoering van de levensbeëindiging. Nadien heeft de arts in overleg met de dienstdoende arts in het ziekenhuis en de SCEN-arts de euthanasieprocedure met een dag versneld. Patiënt was niet meer aanspreekbaar.

De arts heeft de levensbeëindiging op verzoek uitgevoerd met de middelen, in de hoeveelheid en op de wijze als aanbevolen in de KNMG/KNMP Richtlijn Uitvoering euthanasie en hulp bij zelfdoding van augustus 2012.

Beoordeling

De commissie toetst achteraf het handelen van de arts aan de hand van de zorgvuldigheidseisen vastgelegd in artikel 2 van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding.

Ten aanzien van het vrijwillig en weloverwogen verzoek overweegt de commissie het volgende.

Voor de commissie is komen vast te staan dat patiënt palliatief werd gesedeerd één dag vóór de uitvoering van de euthanasie. Dit leidde ertoe dat patiënt kort voor de uitvoering van de euthanasie in een toestand van verlaagd bewustzijn verkeerde en niet meer in staat was om zijn euthanasieverzoek tegenover de arts te herhalen.

De commissie stelt vast dat de verlaging van het bewustzijn bij patiënt intrad nadat patiënt op ondubbelzinnige wijze om euthanasie had verzocht, er reeds een gesprek had plaatsgevonden tussen patiënt en de consulent, die oordeelde dat aan de zorgvuldigheidseisen was voldaan en de arts voornemens was het verzoek van patiënt in te willigen. De bewustzijnsverlaging was door medicatie geïnduceerd en door het staken van de medicatie (mogelijk) weer op te heffen (reversibel coma/verlaagd bewustzijn).

Een reversibele toestand van verlaagd bewustzijn behoeft niet te worden opgeheven met het enkele doel om de patiënt de ondraaglijkheid van het lijden tegenover de arts te laten bevestigen. Dat zou naar de mening van de commissie inhumaan zijn (Code of Practice, blz. 30/  thans in de Euthanasie Code 2018 blz 46 t/m 49).

Gelet op bovenstaande feiten en omstandigheden is de commissie van oordeel dat de arts tot de overtuiging kon komen dat er sprake was van een vrijwillig en weloverwogen verzoek van de patiënt en van uitzichtloos en ondraaglijk lijden. De arts heeft de patiënt voldoende voorgelicht over de situatie waarin deze zich bevond en over zijn vooruitzichten. De arts is met patiënt tot de overtuiging kunnen komen dat er voor de situatie waarin hij zich bevond geen redelijke andere oplossing was.

De arts heeft tenminste één andere, onafhankelijke arts geraadpleegd, die patiënt heeft gezien en schriftelijk haar oordeel heeft gegeven over de zorgvuldigheidseisen. De arts heeft de levensbeëindiging op verzoek medisch zorgvuldig uitgevoerd.

Beslissing

De arts heeft gehandeld overeenkomstig de zorgvuldigheidseisen bedoeld in artikel 2 lid 1 van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding.