Vier dagen voor het overlijden verzocht de patiënt concreet om levensbeëindiging, maar een dag voor het overlijden kon hij zijn wil niet meer uiten door de gevolgen van de ziekte van Creutzfeldt-Jakob. De arts heeft de levensbeëindiging uitgevoerd op basis van de schriftelijke wilsverklaring van de patiënt. Het feit dat zij vooraf geen onafhankelijk deskundige had geraadpleegd, kon de commissie gezien de omstandigheden billijken.

NB1: Het betreft hier een uitzonderlijke situatie, met zeer specifieke omstandigheden die de commissie aanleiding gaven om tot dit oordeel te komen. Het uitgangspunt is dat een arts een tweede onafhankelijke arts met specifieke deskundigheid ter zake raadpleegt wanneer er twijfel bestaat over de wilsbekwaamheid van een patiënt.

NB2: Om herleidbaarheid te voorkomen zijn bepaalde feiten en omstandigheden uit dit oordeel gehaald. U leest hier daarom een aangepast oordeel. De arts die de euthanasie heeft uitgevoerd heeft het volledige oordeel ontvangen.

Introductie van het praktijkvoorbeeld

De patiënt, een man tussen de 50 en 60 jaar, kreeg ongeveer twee maanden voor het overlijden klachten die eerst werden toegeschreven aan overbelasting. Na onderzoeken werd ongeveer drie-en-een-halve week voor het overlijden de waarschijnlijkheidsdiagnose ziekte van Creutzfeldt-Jacob gesteld. Ruim anderhalve week voor het overlijden werd deze diagnose definitief. Genezing van deze zeldzame aandoening is niet mogelijk.

De patiënt was volledig afhankelijk van anderen, kon niet meer communiceren en bracht een groot deel van de dag slapend door. In de avond en nacht namen zijn onrust en angst toe. Van elke beweging in zijn omgeving schrok hij. Hij herkende zijn familieleden niet meer, sterker nog, hij was bang voor hen als zij hem wilde helpen. 

Direct na de waarschijnlijkheidsdiagnose, drie weken voor het overlijden, had de patiënt een schriftelijke wilsverklaring opgesteld die hij na de definitieve diagnose aanvulde en ondertekende. Beide wilsverklaringen had de patiënt uitgebreid en meerdere malen met de arts besproken. De arts verklaarde dat de patiënt wilsbekwaam was toen hij de schriftelijke wilsverklaring opstelde en toen hij deze aanpaste.

De toestand van de patiënt ging in een zeer snel tempo achteruit. Vier dagen voor het overlijden verzocht de patiënt de arts concreet om euthanasie. Toen de arts een dag voor het overlijden bij de patiënt kwam, was deze niet meer in staat te communiceren. De arts was ervan overtuigd geraakt dat zij kon overgaan tot uitvoering van levensbeëindiging op basis van de schriftelijke wilsverklaring van patiënt.

Eerder, ongeveer twee weken voor het overlijden, had een door de arts geraadpleegde onafhankelijk consulent, tevens SCEN-arts, de patiënt gezien en gesproken. Op dat moment was nog niet voldaan aan alle zorgvuldigheidseisen omdat de patiënt nog geen concreet verzoek om levensbeëindiging had. De arts had één dag voor het overlijden telefonisch contact met de consulent gezocht. Op basis van de door de arts mondeling gegeven informatie concludeerde de consulent dat toen was voldaan aan de zorgvuldigheidseisen.

De arts heeft de levensbeëindiging op verzoek uitgevoerd met de middelen, in de hoeveelheid en op de wijze als aanbevolen in de KNMG/KNMP Richtlijn Uitvoering euthanasie en hulp bij zelfdoding van september 2021.

Overwegingen van de commissie

Aan de hand van de feiten en omstandigheden ontleend aan het dossier en voor zover relevant overweegt de commissie als volgt.

Beslissing

De arts heeft gehandeld overeenkomstig de zorgvuldigheidseisen bedoeld in artikel 2, eerste lid, Wtl. Ook is voldaan aan de voorwaarden bepaald in artikel 2, tweede lid, Wtl.