De arts en consulent hadden moeizame communicatie met de patiënt. De patiënt was kort voor het overlijden niet meer tot spreken in staat en kon beperkt bewegen. Door middel van gezichtsuitdrukkingen van de patiënt kon de arts de overtuiging krijgen dat sprake was van een vrijwillig en weloverwogen verzoek van de patiënt. De schriftelijke wilsverklaring van de patiënt was ondersteunend aan het verzoek.

NB: Om herleidbaarheid te voorkomen zijn bepaalde passages uit dit oordeel gehaald. U leest hier daarom een aangepast oordeel. De arts die de euthanasie heeft uitgevoerd heeft het volledige oordeel ontvangen.

Introductie van het praktijkvoorbeeld

Bij de patiënt, een man van tussen de 70 en 80 jaar, was al lange tijd gediagnosticeerd met de ziekte van Parkinson. De patiënt werd met medicatie en deep brain stimulatie behandeld. Gedurende geruime tijd had patiënt daar baat bij. Vanaf twee jaar voor het overlijden ontstond ook een dementieel beeld. Negen jaar voor het overlijden stelde patiënt een wilsverklaring op, waarin opgenomen was een euthanasieverzoek bij ‘uitzichtloos lijden met geen levensverwachting’ en ‘bij uitzichtloze dementie’. Twee jaar voor het overlijden werd een wilsverklaring opgesteld, waarin was opgenomen dat de patiënt euthanasie wenste als hij ondragelijk en uitzichtloos zou lijden. Daaronder verstond hij, aldus de wilsverklaring, ‘een medische aandoening zoals kanker, dementie, psychische ziekten, ouderdomsaandoeningen als ik zelf geen beslissingen meer kan nemen. Als ik niet meer thuis kan wonen, bij overlijden van mijn vrouw’. Volgens een getuigenverklaring bij de laatste wilsverklaring, ondertekend door de zonen van de patiënt, was die laatste wilsverklaring aan de patiënt voorgelezen en door hem bevestigd, omdat de patiënt die toen niet meer kon lezen of ondertekenen.

Kort voor het overlijden kon de patiënt niet meer spreken en was hij amper meer tot beweging in staat. Hij was volledig ADL afhankelijk, had 24 uur per dag toezicht nodig en assistentie van twee personen voor alle handelingen. Een opname in een verpleeghuis werd onvermijdelijk. Volgens de arts was dat alles juist wat de patiënt nooit gewild had.

Drie weken voor het overlijden heeft de arts aan de patiënt om bevestiging van zijn euthanasieverzoek gevraagd. Volgens de arts heeft de patiënt die bevestiging gegeven door middel van hoofdknikken en glimlachen.

Twee weken voor het overlijden heeft de consulent de patiënt bezocht. Deze nam in zijn verslag op dat hij aanvankelijk op zijn vragen aan de patiënt geen respons kreeg, maar dat patiënt duidelijk maakte dat hij niet naar een verpleeghuis wilde en met een knik bevestigde dan dood te willen. Ook later volgde, volgens de consulent in diens verslag, een duidelijk signaal van de patiënt dat hij zo niet verder wilde. Op nog een later moment maakte de patiënt, door een glimlach, opnieuw duidelijk niet naar een verpleeghuis te willen en leek hij, volgens de consulent, een einde aan zijn situatie te bevestigen.

Hij constateerde dat ‘kijkend naar de criteria van Appelbaum en Grisso, daar nu niets over gezegd kon worden’. Anderzijds constateerde de consulent dat de patiënt ten tijde van het opstellen van diens wilsverklaring wel goed voorzag in welke situatie hij terecht zou komen. De consulent bevestigde in het verslag de moeizame communicatie, maar was overtuigd van de wens tot levensbeëindiging van de patiënt.

De arts heeft de levensbeëindiging op verzoek uitgevoerd met de middelen, in de hoeveelheid en op de wijze als aanbevolen in de KNMG/KNMP Richtlijn Uitvoering euthanasie en hulp bij zelfdoding van september 2021.

Overwegingen van de commissie

Aan de hand van de feiten en omstandigheden ontleend aan het dossier en voor zover relevant overweegt de commissie als volgt.

Beslissing

De arts heeft gehandeld overeenkomstig de zorgvuldigheidseisen bedoeld in artikel 2, eerste lid, Wtl.