Na toedienen van de coma-inductor verstreken er 40 minuten totdat de arts de spierverslapper toediende. De arts verklaarde later aan de RTE dat hij niet op de hoogte was van het belang dat de coma-inductor in een tijdsbestek van maximaal vijf minuten moet worden toegediend. Ook wist hij niet hij dat de procedure opnieuw moest starten nadat de eerste 30 minuten waren gepasseerd tussen toedienen van de coma-inductor en het spierrelaxans. De arts heeft niet de procedure gevolgd die ertoe had moeten leiden dat het bewustzijn van de patiënte voldoende was verlaagd voordat hij het spierverslappende middel toediende. De commissie heeft de uitvoering van de levensbeëindiging als onzorgvuldig beoordeeld.

NB1: De RTE wijst er met klem op dat wanneer de uitvoering niet verloopt zoals beoogd, de gehele procedure opnieuw begonnen moet worden. De RTE sluit hiermee aan bij de KNMG/KNMP-Richtlijn Uitvoering euthanasie en hulp bij zelfdoding. Sinds 1 juli 2025 hanteert de RTE in aanvulling daarop de toetsnorm dat er maximaal 30 minuten mogen verstrijken tussen de toediening van de coma-inductor en toediening van de spierrelaxans.

NB2: Om herleidbaarheid te voorkomen zijn bepaalde passages uit dit oordeel gehaald. U leest hier daarom een aangepast oordeel. De arts die de euthanasie heeft uitgevoerd heeft het volledige oordeel ontvangen.

Introductie van de casus

Bij de patiënte, een vrouw van tussen de 70 en 80 jaar, was acute myeloïde leukemie (bloedkanker) geconstateerd. De patiënte gaf direct na het horen van de diagnose aan dat ze geen levensverlengende behandelingen wilde zoals chemotherapie of een bloedtransfusie. Ze wilde zo snel mogelijk naar huis en daar afwachten wat de tijd haar zou brengen om zoveel mogelijk kwaliteit van leven te behouden in deze laatste fase.

De toestand van de patiënte ging snel sterk achteruit. Er was sprake van extreme vermoeidheid en haar conditie verslechterde fors. Ze had veel pijn en dit werd met de dag erger. De patiënte leed aan de snelle achteruitgang en vermagerde zichtbaar. Ze kon niet zelfstandig meer voorzien in haar algemeen dagelijkse activiteiten en was afhankelijk van de zorg van anderen. Deze afhankelijkheid paste totaal niet bij de patiënte die graag de regie in handen had.

Nadat de patiënte uit het ziekenhuis kwam heeft ze met de huisarts haar levenstestament en euthanasiewens besproken. Twee dagen daarna was haar conditie zodanig verslechterd dat de patiënte de arts verzocht om over te gaan tot uitvoering van de levensbeëindiging en zij herhaalde dit verzoek tijdens de volgende gesprekken met de arts.

De arts raadpleegde een onafhankelijk SCEN-arts als consulent. De consulent bezocht de patiënte vier dagen voor haar overlijden en kwam in zijn verslag tot de conclusie dat aan de zorgvuldigheidseisen was voldaan.

Uit het modelverslag bleek dat de uitvoering van de euthanasie gecompliceerd was verlopen. Na de toediening van de coma-inductor via het aangebrachte infuus heeft de arts 40 minuten gewacht voordat hij het spierrelaxans toediende. Het spierrelaxans werd in hetzelfde infuus toegediend waarna de patiënte na zeventien minuten overleed. De gehele uitvoering heeft 57 minuten geduurd.

Overwegingen

Aan de hand van de feiten en omstandigheden ontleend aan het dossier en voor zover relevant overweegt de commissie als volgt.

Beslissing

De arts heeft niet gehandeld overeenkomstig de zorgvuldigheidseisen bedoeld in artikel 2, eerste lid, Wtl.