Patiënte leed aan de gevolgen van een hersenbloeding. Kort voor het bezoek van de SCEN-arts deed patiënte haar euthanasieverzoek, maar zij raakte voor het bezoek in een toestand van verlaagd bewustzijn. De SCEN-arts heeft zich tijdens het bezoek gebaseerd op informatie van de arts, naasten en de euthanasieverklaring van de patiënte. De arts constateerde een irreversibele toestand van verlaagd bewustzijn bij de patiënte waarbij zij tekenen van lijden vertoonde. De commissie concludeert dat de arts tot de overtuiging konden komen dat er sprake was van een vrijwillig en weloverwogen verzoek en dat patiënte uitzichtloos en ondraaglijk leed.

Introductie van het praktijkvoorbeeld

Bij patiënte, een vrouw van tussen de 80-90 jaar, werd vijf dagen voor haar overlijden een cerebrovasculair accident (CVA) vastgesteld. Dit betrof een hersenbloeding, ten gevolge waarvan patiënte rechtszijdig verlamd raakte en een gemengde afasie ontwikkelde. Deze aandoening kenmerkt zich door zowel een verminderde mogelijkheid tot spreken als een beperkt begrip van taal. Patiënte zou blijvend gehandicapt blijven. Twee dagen voor haar overlijden besprak patiënte haar situatie met de huisarts in het ziekenhuis. Zij verzocht om euthanasie, omdat zij als gevolg van de halfzijdige verlamming niet meer zelfstandig zou kunnen leven en opname in een verpleeghuis onvermijdelijk was. Het vooruitzicht haar zelfstandigheid te verliezen en in een verpleeghuis te moeten verblijven, was voor patiënte ondraaglijk. Dit verklaarde haar verzoek om euthanasie, gelet op de te verwachten situatie.

Na het bezoek van de arts aan patiënte raadpleegde de arts een onafhankelijk SCEN-arts als consulent. De consulent bezocht patiënte een dag voor haar overlijden. Enkele uren voor het bezoek van de consulent raakte patiënte in een toestand van verlaagd bewustzijn, vermoedelijk als gevolg van hydrocephalus, waarbij er een ophoping van hersenvocht in de hersenen plaatsvond. Aangezien patiënte in een toestand van verlaagd bewustzijn verkeerde, was het voor de consulent niet mogelijk om met haar te spreken. Tijdens het bezoek in het ziekenhuis heeft de consulent echter wel gesproken met de zaalarts en de kinderen van patiënte.

Hoewel patiënte in een toestand van verlaagd bewustzijn verkeerde, vertoonde zij toch tekenen van lijden, zoals het gebruik van haar niet-verlamde hand om haar borst of keel aan te raken, het maken van grimassen en kreunen. Patiënte kwam echter niet meer bij bewustzijn vóór de uitvoering van de  levensbeëindiging.

De arts heeft de levensbeëindiging op verzoek uitgevoerd met de middelen, in de hoeveelheid en op de wijze als aanbevolen in de KNMG/KNMP Richtlijn Uitvoering euthanasie en hulp bij zelfdoding van september 2021.

Overwegingen van de commissie

Aan de hand van de feiten en omstandigheden ontleend aan het dossier en voor zover relevant overweegt de commissie als volgt.

Beslissing

De arts heeft gehandeld overeenkomstig de zorgvuldigheidseisen bedoeld in artikel 2, eerste lid, Wtl.