Patiënt was gediagnostiseerd met persisterende posturele perceptuele duizeligheid (PPPD). In de jaren voorafgaand aan het overlijden ging patiënt ook neurologisch achteruit, met name op het gebied van communicatie en mobiliteit. De arts werd door de commissie uitgenodigd voor een mondelinge toelichting, omdat de diagnose PPPD niet volledig de achteruitgang kon verklaren. De arts lichtte toe dat patiënt (waarschijnlijk) ten gevolge van progressieve hersendegeneratie verder achteruitging, waardoor communicatie vrijwel niet meer mogelijk was en patiënt immobiel raakte.

De commissie oordeelde dat de arts, mede aan de hand van zijn toelichting, voldoende heeft aangetoond dat patiënt uitzichtloos en ondraaglijk leed.

Introductie van het praktijkvoorbeeld

Bij patiënt, een man van tussen de 70 en 80 jaar, was sinds zes jaar voor het overlijden sprake van functionele neurologische achteruitgang. Bij hem werd de diagnose persisterende posturele perceptuele duizeligheid (PPPD) vastgesteld. Patiënt ging in de jaren voor zijn overlijden steeds verder achteruit. Hij leed onder meer aan duizeligheid, nystagmus (wiebelogen) en dubbelzien. Patiënt begon slechter te spreken, waardoor mensen hem niet meer goed konden verstaan. Hierdoor kon hij geen grappen meer maken, wat voor hem een belangrijk onderdeel van zijn leven was. Hij leed aan het feit dat hij niet meer goed met zijn omgeving kon communiceren. Daarnaast werd lopen voor hem steeds moeilijker, waardoor zijn mobiliteit sterk verminderde. Tijdens het eerste bezoek aan de huisartsenpraktijk van de arts kwam hij lopend naar binnen en moest hij met een rolstoel naar buiten, omdat een gesprek hem zo vermoeide. Uiteindelijk was hij grotendeels aan huis gebonden. Hij kon zichzelf niet meer wassen of aankleden en was incontinent geworden. Ook moest hij door twee personen van het toilet worden getild. Deze afhankelijkheid van anderen vond hij verschrikkelijk.

De arts sprak tien maanden voor het overlijden voor het eerst met patiënt over zijn euthanasiewens. Tien dagen voor het overlijden verzocht patiënt de arts om de daadwerkelijke uitvoering van de levensbeëindiging op verzoek. De arts raadpleegde hierop als consulent een onafhankelijk arts, die patiënt acht dagen voor het overlijden bezocht.

De arts heeft de levensbeëindiging op verzoek uitgevoerd met de middelen, in de hoeveelheid en op de wijze als aanbevolen in de KNMG/KNMP Richtlijn Uitvoering euthanasie en hulp bij zelfdoding van september 2021.

Overwegingen van de commissie

Aan de hand van de feiten en omstandigheden ontleend aan het dossier en voor zover relevant overweegt de commissie als volgt.

Beslissing

De arts heeft gehandeld overeenkomstig de zorgvuldigheidseisen bedoeld in artikel 2, eerste lid, Wtl.