In deze melding heeft de arts euthanasie uitgevoerd bij een patiënte met vergevorderde dementie. De patiënte was ten tijde van de uitvoering van de euthanasie wilsonbekwaam. De arts heeft zich gebaseerd op de schriftelijke wilsverklaring conform art. 2 lid 2 Wtl. Vanwege de wilsonbekwaamheid van de patiënte heeft de commissie uitgebreid stilgestaan bij de invulling van alle zorgvuldigheidseisen. De commissie komt tot het oordeel dat de arts volgens de zorgvuldigheidseisen heeft gehandeld.

Introductie van het praktijkvoorbeeld

Patiënte, een vrouw van tussen de 60 en 70 jaar, ondervond zeven jaar voor het overlijden voor het eerst woordvindstoornissen. Een jaar later kreeg zij de diagnose progressieve niet vloeiende afasie (PNFA). Een jaar voor het overlijden kwam daar een dementieel beeld bij. Ongeveer een half jaar later was de dementie voortgeschreden. Patiënte kon toen al enkele maanden geen geluid meer maken en daarmee ook niet praten. Vervolgens werd twee maanden voor het overlijden bij haar nog parkinsonisme vastgesteld. Bij patiënte was in de periode van het euthanasietraject sprake van ver gevorderde PNFA met kenmerken van progressieve supranucleaire paralyse en dementie. Genezing was niet mogelijk.

Bij patiënte was sprake van een compleet onvermogen om te communiceren met de mensen om haar heen. Patiënte leek zich te realiseren dat zij niet aan verwachtingen kon voldoen en raakte in paniek als haar vragen werden gesteld. Zij ervoer voortdurende onrust die zich dag en nacht uitte in dwanghandelingen. De frustratie liep daarbij bij patiënte geregeld zo op dat zij fysiek agressief werd naar haar naasten. Tot rust komen lukte haar op geen enkele manier. De eenzaamheid, frustratie en spanning spatten van haar af ondanks dat zij dit niet verbaal kon uiten.

De huisarts van patiënte vond de situatie te complex om zelf de euthanasie uit te voeren. De dochter van patiënte meldde haar daarom zeven maanden voor het overlijden aan bij EE. Patiënte werd een maand later voor het eerst bezocht door een EE-team. De oorspronkelijke arts van het EE-team ging echter na vier gesprekken weg bij EE en droeg patiënte over aan de arts, die patiënte vijf keer bezocht. Patiënte kon tijdens de bezoeken van de arts niet meer betekenisvol communiceren. Haar naasten brachten dan ook haar schriftelijke wilsverklaring onder de aandacht van de arts en vroegen om uitvoering hiervan.

Als consulent raadpleegde de arts een onafhankelijk SCEN-arts die tevens specialist ouderengeneeskunde was. Zij bezocht patiënte circa zes weken voor het overlijden. De arts raadpleegde vanwege de wilsonbekwaamheid van patiënte vervolgens een specialist ouderengeneeskunde als onafhankelijk deskundige. Hij bezocht patiënte ongeveer drie weken voor het overlijden.

De arts heeft de levensbeëindiging op verzoek uitgevoerd met de middelen, in de hoeveelheid en op de wijze als aanbevolen in de KNMG/KNMP Richtlijn Uitvoering euthanasie en hulp bij zelfdoding van september 2021.

Overwegingen van de commissie

Aan de hand van de feiten en omstandigheden ontleend aan het dossier en voor zover relevant overweegt de commissie als volgt.

Beslissing

De arts heeft gehandeld overeenkomstig de zorgvuldigheidseisen bedoeld in artikel 2, eerste en tweede lid, Wtl.