Bij een patiënte met dementie was er volgens de eerste geraadpleegde consulent geen sprake van een vrijwillig en weloverwogen verzoek. De patiënte kon volgens de consulent onvoldoende haar wens duidelijk maken. Een onafhankelijk deskundige en de tweede consulent constateerden daarentegen dat er wel sprake was van een vrijwillig en weloverwogen verzoek. De commissie is van oordeel dat de arts op zorgvuldige wijze heeft nagegaan of er sprake was van een vrijwillig en weloverwogen verzoek door zowel een tweede consulent als een onafhankelijk deskundige te raadplegen.

Introductie van het praktijkvoorbeeld

Bij patiënte, een vrouw tussen de 70 en 80 jaar oud, werd ongeveer een jaar voor het overlijden dementie vastgesteld. dementie vastgesteld.

In het jaar voorafgaand aan het overlijden namen de cognitieve en functionele vermogens van patiënte snel af. Zij leed onder haar toenemende afhankelijkheid van haar partner bij dagelijkse handelingen, zoals het aankleden, douchen en de toiletgang. Daarnaast kampte zij met geheugenproblemen en was zij bijvoorbeeld niet meer in staat om de klok te lezen, spelletjes te doen of boeken te lezen. Ook raakte zij snel overprikkeld en had zij moeite met prikkelverwerking, waardoor zij vrijwel geen activiteiten meer kon ondernemen. Een overplaatsing naar het verpleeghuis of deelname aan dagopvang wees zij af, mede vanwege haar gevoeligheid voor prikkels.

Ongeveer een half jaar voor haar overlijden besprak patiënte haar euthanasiewens met haar arts. Zij overhandigde daarbij ook haar schriftelijke euthanasiewens aan de arts. Ongeveer twee maanden voor haar overlijden verzocht patiënte de arts om tot uitvoering van het verzoek over te gaan. De arts raadpleegde daarop een onafhankelijk SCEN-arts, tevens psychiater, als consulent. Deze consulent bezocht patiënte ongeveer een maand voor het overlijden en concludeerde dat er bij patiënte geen sprake was van een vrijwillig en weloverwogen verzoek. Patiënte kon volgens de consulent haar wens tot levensbeëindiging onvoldoende duidelijk maken en het was voor de consulent onduidelijk of er bij patiënte sprake was van beïnvloeding van buitenaf.

Na het bezoek van de eerste consulent voerde de arts nog twee gesprekken met patiënte. Deze gesprekken bevestigden voor de arts dat bij patiënte sprake was van een vrijwillig en weloverwogen euthanasieverzoek. De arts besloot daarop opnieuw een ander onafhankelijk SCEN-arts als consulent te raadplegen.

De tweede consulent bezocht patiënte ongeveer twee weken voor haar overlijden. In tegenstelling tot de eerste consulent, concludeerde de tweede consulent dat er bij patiënte sprake was van een vrijwillig en weloverwogen verzoek.

Op advies van de tweede consulent werd patiënte een week voor haar overlijden nog beoordeeld door een onafhankelijk deskundige, een specialist ouderengeneeskunde, met betrekking tot haar wilsbekwaamheid.

De arts heeft de levensbeëindiging op verzoek uitgevoerd met de middelen, in de hoeveelheid en op de wijze als aanbevolen in de KNMG/KNMP Richtlijn Uitvoering euthanasie en hulp bij zelfdoding van september 2021.

Overwegingen van de commissie

Aan de hand van de feiten en omstandigheden ontleend aan het dossier en voor zover relevant overweegt de commissie als volgt.

Beslissing

De arts heeft gehandeld overeenkomstig de zorgvuldigheidseisen bedoeld in artikel 2, eerste lid, Wtl.