Bij de patiënte was sprake van dementie waardoor zij de zelfstandigheid en regie over haar leven verloor. De eerste consulent twijfelde aan de weloverwogenheid van haar euthanasieverzoek vanwege een mogelijke depressie en adviseerde de arts om de patiënte te laten onderzoeken door een onafhankelijk psychiater. De arts was overtuigd dat er sprake was van een vrijwillig en weloverwogen euthanasieverzoek. Hij werd hierin gesterkt door een onafhankelijk psychiater en de tweede geraadpleegde consulent.

De commissie is van oordeel dat de arts de bedoelde grote behoedzaamheid heeft betracht bij het vaststellen van de vrijwilligheid en weloverwogenheid van het euthanasieverzoek van de patiënte en er sprake was van ondraaglijk en uitzichtloos lijden.

Introductie van het praktijkvoorbeeld

Bij de patiënte, een vrouw tussen de 80 en 90 jaar, werd twee jaar voor het overlijden dementie vastgesteld. Kort na haar diagnose werd zij opgenomen in een verpleeghuis, waar zij de rest van haar leven verbleef. Daarnaast was bij patiënte sprake van een depressie, waarvoor zij medicamenteus werd behandeld.

De patiënte hechtte veel waarde aan haar zelfstandigheid en hield graag de regie over haar eigen leven. Door haar ziekte kon zij echter niet meer voor zichzelf zorgen. Zo kon zij geen activiteiten meer ondernemen, boodschappen doen of contact houden met haar naasten. Ook in het verpleeghuis vond zij geen aansluiting met haar medebewoners. De patiënte leed aan haar aftakeling en het besef dat haar situatie nooit meer beter zou worden. Zij kon geen reden vinden om te blijven leven en probeerde meerdere keren te stoppen met eten en drinken, in de hoop dat zij dan zou overlijden.

Sinds ongeveer zestien maanden voor het overlijden uitte de patiënte een doodswens. De arts was als specialist ouderengeneeskunde werkzaam in het verpleeghuis en raakte zo betrokken bij het euthanasieverzoek van de patiënte. De patiënte uitte vijf maanden voor het overlijden voor het eerst haar doodswens tegen de arts en verzocht hem om uitvoering van haar euthanasieverzoek.

De arts raadpleegde een onafhankelijk SCEN-arts, die de patiënte ongeveer vier maanden voor het overlijden bezocht. Deze eerste consulent twijfelde aan de weloverwogenheid van het verzoek vanwege een mogelijke depressie. Hij kwam daarom tot de conclusie dat nog niet aan alle zorgvuldigheidseisen was voldaan en adviseerde de arts om de patiënte te laten onderzoeken door een onafhankelijk psychiater. De arts volgde dit advies op.

De onafhankelijk psychiater onderzocht de patiënte ongeveer drieënhalve maand voor het overlijden. Vervolgens raadpleegde de arts als opnieuw een onafhankelijk SCEN-arts. Deze tweede consulent ging een maand voor het overlijden bij de patiënte langs. Deze SCEN-arts kwam tot de conclusie dat aan de zorgvuldigheidseisen was voldaan.

De arts heeft de levensbeëindiging op verzoek uitgevoerd met de middelen, in de hoeveelheid en op de wijze als aanbevolen in de KNMG/KNMP Richtlijn Uitvoering euthanasie en hulp bij zelfdoding van september 2021.

Overwegingen van de commissie

Aan de hand van de feiten en omstandigheden ontleend aan het dossier en voor zover relevant overweegt de commissie als volgt.

Beslissing

De arts heeft gehandeld overeenkomstig de zorgvuldigheidseisen bedoeld in artikel 2, eerste lid, Wtl.