Een patiënt met dementie was wilsonbekwaam geworden ten aanzien van zijn euthanasieverzoek vanwege meerdere hersenbloedingen. De commissie heeft stilgestaan bij de vraag of de omstandigheden waarin de patiënt verkeerde overeenkwamen met hetgeen vastgelegd in zijn schriftelijke wilsverklaring. De commissie oordeelt dat de arts kon concluderen dat uitvoering van de euthanasie in de lijn lag met de schriftelijke wilsverklaring van de patiënt. De commissie betrekt hierbij dat de arts hierin werd gesteund door de bevindingen van zowel de eerste consulent als de tweede consulent.

Introductie van het praktijkvoorbeeld

Bij patiënt, een man tussen de 80 en 90 jaar, was drie weken voor het overlijden sprake van een grote spontane hersenbloeding gevolgd door meerdere kleinere hersenbloedingen. Daarnaast was bij patiënt anderhalf jaar voor het overlijden dementie vastgesteld. Patiënt verbleef sinds zijn hersenbloeding drie weken voor het overlijden in het ziekenhuis. Na de doorgemaakte hersenbloedingen verkeerde patiënt in een staat van een wisselend verlaagd bewustzijn en mutisme. Er was geen communicatie meer mogelijk. De neuroloog stelde vast dat er geen kans meer was op verbetering van de toestand van patiënt. Er restte enkel een comfortbeleid met optimale symptoombestrijding waar mogelijk. Patiënt was zijn autonomie volledig verloren, iets wat hij altijd vreesde en expliciet niet had gewild. Patiënt leed zichtbaar. Hij was onrustig, kreunde, vertrok zijn gezicht en greep herhaaldelijk gepijnigd naar zijn hoofd.

Alvorens bij patiënt de diagnose ‘dementie’ was gesteld, stelde hij, vier jaar voor het overlijden, een schriftelijke wilsverklaring op voor wanneer een situatie zich zou voordoen waarin hij geen kwaliteit van leven meer kon ervaren en besprak hij zijn euthanasiewens met zijn arts. Nadat bij patiënt de diagnose ‘dementie’ was gesteld, sprak de arts geregeld met patiënt over zijn in zijn schriftelijke wilsverklaring vastgelegde euthanasieverzoek. Uit het dossier bleek dat patiënt drie weken voor het overlijden nog wilsbekwaam was ten aanzien van zijn euthanasieverzoek en zijn verzoek had besproken met zijn casemanager dementie. Een expliciet verzoek tot uitvoering bij de arts had patiënt nog niet tot uiting gebracht. Na de doorgemaakte hersenbloedingen was het voor alle betrokkenen duidelijk dat patiënt niet meer wilsbekwaam was ten aanzien van zijn euthanasieverzoek.

De arts raadpleegde als eerste consulent een onafhankelijke SCEN-arts, die patiënt drie dagen voor het overlijden bezocht. Vanwege de complexiteit van de casus raadpleegde de arts nog een tweede SCEN-arts, tevens specialist ouderengeneeskunde, die patiënt twee dagen voor het overlijden bezocht.

De arts heeft de levensbeëindiging op verzoek uitgevoerd met de middelen, in de hoeveelheid en op de wijze als aanbevolen in de KNMG/KNMP Richtlijn Uitvoering euthanasie en hulp bij zelfdoding van september 2021.

Overwegingen van de commissie

Aan de hand van de feiten en omstandigheden ontleend aan het dossier en voor zover relevant overweegt de commissie als volgt.

Beslissing

De arts heeft gehandeld overeenkomstig de zorgvuldigheidseisen bedoeld in artikel 2, eerste en tweede lid, Wtl.