De patiënte had lichamelijke aandoeningen en daarnaast had zij een dysthyme stoornis. De arts heeft aannemelijk gemaakt dat het lijden van deze patiënte alleen en dus ook haar verzoek om levensbeëindiging, voortkwam uit de gevolgen van haar lichamelijke aandoeningen. Haar somberheid was alleen sluimerend op de achtergrond aanwezig. De arts en de consulent meenden dat de patiënte haar verzoek vrijwillig en weloverwogen had gedaan en hadden geen enkele twijfel over de wilsbekwaamheid van de patiënte.

Introductie van het praktijkvoorbeeld

Bij patiënte, een vrouw van tussen de 80 en 90 jaar, was sprake van hartfalen en visusproblemen. Daarnaast was sprake van mobiliteitsproblemen en ondervond zij cognitieve achteruitgang. In de voorgeschiedenis was bij patiënte al zeker veertien jaar voor het overlijden sprake van een dysthyme stoornis. Het lijden van patiënte bestond uit slechtziendheid, verminderde mobiliteit en toenemende afhankelijkheid. Ook viel zij regelmatig. Patiënte werd lichamelijk steeds zwakker en het werd steeds moeilijker voor haar om nog thuis te blijven wonen. Patiënte ervoer haar lijden als ondraaglijk.

Patiënte had eerder met een collega van de arts over euthanasie gesproken. In de afgelopen jaren voor het overlijden had patiënte herhaaldelijk aangegeven dat zij niet meer wilde leven. Ongeveer drie maanden voor het overlijden heeft zij met de arts gesproken over een euthanasietraject. Een maand voor het overlijden heeft patiënte de arts om daadwerkelijke uitvoering van de levensbeëindiging verzocht. Patiënte heeft haar euthanasieverzoek meerdere malen herhaald.

De arts raadpleegde als consulent een onafhankelijke SCEN-arts. De consulent bezocht patiënte ongeveer een maand voor het overlijden.

De arts heeft de levensbeëindiging op verzoek uitgevoerd met de middelen, in de hoeveelheid en op de wijze als aanbevolen in de KNMG/KNMP Richtlijn Uitvoering euthanasie en hulp bij zelfdoding van september 2021.

Overwegingen van de commissie

Aan de hand van de feiten en omstandigheden ontleend aan het dossier en voor zover relevant overweegt de commissie als volgt.

Beslissing

De arts heeft gehandeld overeenkomstig de zorgvuldigheidseisen bedoeld in artikel 2, eerste lid, Wtl.