Bij de uitvoering van de euthanasie is de arts gestart met het volgen van de Richtlijn Uitvoering euthanasie en hulp bij zelfdoding, KNMP en KNMG, september 2021 (verder ‘de richtlijn’). Maar toen de patiënte na toediening van de euthanatica niet overleed, is de arts van de richtlijn afgeweken. Hij had de hele in de richtlijn omschreven procedure moeten herhalen. Maar de arts heeft geen nieuw infuus aangelegd, voordat hij de patiënte de tweede set euthanatica toediende. Toch heeft de commissie in deze concrete melding geoordeeld dat de uitvoering medisch zorgvuldig was uitgevoerd. Voordat hij de patiënte de spierverslapper toediende, had de arts namelijk op een adequate manier vastgesteld dat het bewustzijn van de patiënte voldoende was verlaagd. Daarom was er geen reëel risico dat de patiënte de werking van de spierverslapper kon ervaren. Toch heeft de commissie de arts aangeraden voortaan de hele procedure te herhalen. De arts heeft de euthanasie medisch zorgvuldig uitgevoerd, zoals bedoeld in artikel 2, eerste lid onder f, Wtl.

NB: Op grond van de stukken is de commissie in deze melding tot het oordeel gekomen dat de uitvoering van de euthanasie niet optimaal is gegaan, maar niet zodanig erg dat de arts onzorgvuldig heeft gehandeld. Dit betreft een uitzonderingssituatie. De RTE wijst er met klem op dat wanneer de uitvoering niet verloopt zoals beoogd, de gehele procedure opnieuw begonnen moet worden. De RTE sluit hiermee aan bij de KNMG/KNMP-Richtlijn Uitvoering euthanasie en hulp bij zelfdoding, die in december 2025 op dit punt is aangescherpt.

Vanaf 1 juli 2025 hanteert de RTE de toetsnorm dat er maximaal 30 minuten mogen verstrijken tussen de toediening van de coma-inductor en toediening van de spierrelaxans. Deze melding dateert van vóór 1 juli 2025. Op de beoordeling van deze melding heeft de nieuwe toetsnorm geen invloed, omdat de 30 minuten termijn niet overschreden was.

Introductie van het praktijkvoorbeeld

Bij patiënte, een vrouw van tussen de 50 en 60 jaar, werd ruim drie jaar voor het overlijden een niet-kleincellig longcarcinoom (longkanker) vastgesteld. Patiënte werd behandeld met chemotherapie en bestraling. Desondanks bleek de ziekte progressief en ontwikkelde patiënte uitzaaiingen naar de botten. Genezing was niet mogelijk.
 

Patiënte leed aan pijn in haar schouders, rug en ribben, die niet met pijnbestrijding onder controle te krijgen was. Ook was haar conditie achteruitgegaan. Zo was zij fors vermoeid en had zij geen energie meer om de dagelijkse activiteiten te ondernemen. Hierdoor was zij afhankelijk geworden van haar partner, die haar moest helpen met wassen en aankleden. Patiënte had geen eetlust meer en genoot nergens meer van. Zij ervaarde geen enkele kwaliteit van leven en leed aan het reële vooruitzicht dat het nooit meer beter met haar zou gaan.

Ongeveer een maand voor haar overlijden besprak patiënte haar euthanasiewens met de arts. Een week later verzocht patiënte om daadwerkelijke uitvoering van de levensbeëindiging. De arts raadpleegde daarop als consulent een onafhankelijk SCEN-arts, die patiënte een week voor het overlijden bezocht.

De uitvoering van de levensbeëindiging op verzoek verliep gecompliceerd. Patiënte overleed niet na de toediening van de euthanatica. De arts diende vervolgens de noodset euthanatica toe, waarop patiënte overleed.

Overwegingen van de commissie

Aan de hand van de feiten en omstandigheden ontleend aan het dossier en voor zover relevant overweegt de commissie als volgt.

Beslissing

De arts heeft gehandeld overeenkomstig de zorgvuldigheidseisen bedoeld in artikel 2, eerste lid, Wtl.