De patiënte leed uitzichtloos en ondraaglijk door meerdere psychische aandoeningen en had vele pogingen tot zelfdoding gedaan. De arts raadpleegde een onafhankelijk psychiater en een onafhankelijk consulent. Beiden waren het met de arts eens dat de patiënte wilsbekwaam was ten aanzien van haar verzoek. Zij waren het met de arts eens dat het lijden van de patiënte ondraaglijk en uitzichtloos was en dat er geen redelijke andere oplossing was die haar lijden kon verlichten.

NB: Om herleidbaarheid te voorkomen zijn bepaalde passages uit dit oordeel gehaald. U leest hier daarom een aangepast oordeel. De arts die de euthanasie heeft uitgevoerd heeft het volledige oordeel ontvangen.

Introductie van het praktijkvoorbeeld

Bij patiënte, een jonge vrouw van tussen de 20 en 30 jaar, werd ruim vijf jaar voor haar overlijden een autismespectrumstoornis (hierna: ASS), een posttraumatische stressstoornis en een persoonlijkheidsstoornis vastgesteld. Daarvoor was patiënte al bekend met automutilatie en suïcidale gedachten.

Al sinds haar vroege kinderjaren had patiënte zich een buitenbeentje gevoeld. Als jong meisje werd zij langdurig seksueel misbruikt en kreeg zij de problematische scheiding van haar ouders te verwerken. Ze groeide op in een gebroken gezin waarin zij weinig steun van een van haar ouders ervaarde. Haar vertrouwen in mensen werd beschadigd en ze kreeg het gevoel niets waard te zijn.

Ongeveer zes jaar voor haar overlijden deed zij haar eerste suïcidepoging en kwam zij voor het eerst in contact met psychiatrische hulpverlening. In deze periode leerde zij ook haar partner kennen. Haar partner overleed door suïcide hetgeen een verdere neerwaartse spiraal veroorzaakte. Patiënte kon de spanning en de chaos van het leven steeds minder aan, ook makkelijke dingen waren voor haar moeilijk waardoor ze overprikkeld raakte en ze gespannen en onrustig werd. Dit leidde ertoe dat zij zichzelf steeds meer beschadigde door snijden in haar armen, strangulatie en het tientallen malen inslikken van schadelijke voorwerpen. Er volgden meer dan 100 ziekenhuisopnames waarbij de voorwerpen endoscopisch werden verwijderd. Uiteindelijk leidde dit tot een ernstige onbehandelbare slokdarmstenose.

Haar talloze suïcidepogingen waren een dwangmatige reactie op haar spanning waar patiënte zelf geen enkele controle meer over had. In verband met een toename van haar suïcidaliteit en zelfbeschadigend gedrag werd zij veelvuldig opgenomen en behandeld, vrijwillig en onvrijwillig. Patiënte nam deel aan verschillende psychotherapeutische behandelingen waaronder groepstherapie, muziektherapie, psychomotorische therapie, rouwverwerking, schematherapie, EMDR, systeemgesprekken en ECT maar er trad geen blijvende verbetering in haar situatie op. Uiteindelijk bleek zij ten gevolge van haar ASS niet goed leerbaar als het ging om psychologische behandelingen. Sterker nog, patiënte raakte steeds meer gefixeerd op het slikken van voorwerpen waarbij een slokdarmperforatie werd gezien als een reëel risico waarbij geen behandeling meer mogelijk zou zijn. Ook voor haar psychische aandoeningen kon patiënte niet meer behandeld worden.

Patiënte leed ondraaglijk omdat zij het leven niet meer aankon en het ook geen richting meer kon geven. Haar toekomst zou blijvend bestaan uit jarenlange opnames en pogingen om middels suïcide uit het leven te stappen als gevolg van haar onveranderlijke obsessief compulsieve patroon om knoopcelbatterijen te slikken.

Patiënte was verdrietig dat de jarenlange behandelingen niets hadden opgeleverd en dat zij geen toekomstperspectief meer had. Ze was moe van het strijden, van de drukte in haar hoofd, van alle twijfels en van alle dwang. Patiënte wilde rust maar wilde niet op een pijnlijke manier doodgaan en wenste daarom euthanasie.

Patiënte had vaker in haar behandeltraject aan haar behandelaren haar wens tot euthanasie aangegeven maar deze werd niet opgepakt. De arts sprak patiënte ongeveer zeven maanden voor haar overlijden voor het eerst. Tijdens dit gesprek verzocht patiënte concreet om uitvoering van de levensbeëindiging op verzoek. Zij herhaalde dit verzoek tijdens de vele nadien met arts gevoerde gesprekken.

De arts raadpleegde een onafhankelijk psychiater voor een beoordeling van de wilsbekwaamheid ter zake en de aanwezigheid van behandelmogelijkheden. Hij onderzocht patiënte anderhalve maand voor het overlijden. Ook raadpleegde de arts als consulent een onafhankelijk SCEN-arts. Deze bezocht patiënte vier weken voor het overlijden.

De arts heeft de levensbeëindiging op verzoek uitgevoerd met de middelen, in de hoeveelheid en op de wijze als aanbevolen in de KNMG/KNMP Richtlijn Uitvoering euthanasie en hulp bij zelfdoding van september 2021.

Overwegingen van de commissie

Aan de hand van de feiten en omstandigheden ontleend aan het dossier en voor zover relevant overweegt de commissie als volgt.

Beslissing

De arts heeft gehandeld overeenkomstig de zorgvuldigheidseisen bedoeld in artikel 2, eerste lid, Wtl.