De arts heeft grote behoedzaamheid betracht bij een euthanasieverzoek van een patiënte met voortgeschreden dementie. De patiënte was wilsonbekwaam ten tijde van de uitvoering van de euthanasie. De arts heeft zich gebaseerd op de schriftelijke wilsverklaring conform art. 2 lid 2 Wtl.

Introductie van het praktijkvoorbeeld

Bij patiënte, een vrouw van tussen de 70 en 80 jaar, werd ruim een jaar voor het overlijden de ziekte van Alzheimer vastgesteld. Patiënte ervoer een verlies van regie over haar leven en daarmee ook haar waardigheid. Zij was altijd een zelfstandige vrouw geweest en was nu slechts een schim van haar vroegere zelf. De afgelopen maanden verloor patiënte haar plezier in het leven, patiënte was somber, futloos en kon niet meer genieten. In de laatste maanden voor het overlijden was bij haar in toenemende mate sprake van angst en onrust. Door deze recente achteruitgang kwam het moment naderbij dat zij zou moeten verhuizen naar een verpleeginstelling, iets wat zij absoluut niet wilde.

Al vorens bij patiënte de diagnose ‘dementie’ was gesteld, stelde zij, drie jaar voor het overlijden, een schriftelijke wilsverklaring op voor wanneer een dergelijke situatie zich zou voordoen en besprak zij haar euthanasiewens met haar arts. Nadat bij patiënte de diagnose ‘dementie’ was gesteld, sprak de arts geregeld met patiënte over haar in haar schriftelijke wilsverklaring vastgelegde euthanasieverzoek. Uit het dossier bleek dat patiënte in ieder geval zes maanden voor het overlijden nog wilsbekwaam was ten aanzien van haar euthanasieverzoek. Toen twee maanden voor het overlijden de daadwerkelijke mogelijkheid van euthanasie in beeld kwam bestond er echter twijfel over de wilsbekwaamheid van patiënte ten aanzien van haar euthanasieverzoek. Een expliciet verzoek tot uitvoering kon patiënte niet meer tot uiting brengen. Wel kon zij nog aangeven absoluut niet naar een verpleeghuis te willen. Nu een verhuizing naar een verpleeginstelling aanstaande was en patiënte steeds verder achteruitging, besloot de arts, in samenspraak met onder meer de kinderen van patiënte, over te gaan tot uitvoering van de levensbeëindiging op basis van de schriftelijke wilsverklaring.

De arts raadpleegde als consulent een onafhankelijke SCEN-arts, die patiënte ruim een maand voor het overlijden bezocht. De SCEN-arts adviseerde de arts een onafhankelijk deskundige te raadplegen die deskundig is om de wilsbekwaamheid van patiënte te beoordelen.

De arts volgde dit advies op en raadpleegde als onafhankelijk deskundige een specialist ouderengeneeskunde. De onafhankelijk deskundige bezocht patiënte ongeveer drie weken voor het overlijden. Vervolgens heeft de arts wederom contact gehad met de SCEN-arts.

De arts heeft de levensbeëindiging op verzoek uitgevoerd met de middelen, in de hoeveelheid en op de wijze als aanbevolen in de KNMG/KNMP Richtlijn Uitvoering euthanasie en hulp bij zelfdoding van september 2021.

Overwegingen van de commissie

Aan de hand van de feiten en omstandigheden ontleend aan het dossier en voor zover relevant overweegt de commissie als volgt.

Beslissing

De arts heeft gehandeld overeenkomstig de zorgvuldigheidseisen bedoeld in artikel 2, eerste en tweede lid, Wtl.