De arts heeft grote behoedzaamheid betracht bij een euthanasieverzoek van een patiënte met voortgeschreden dementie. De patiënte was wilsonbekwaam ten tijde van de uitvoering van de euthanasie. De arts heeft zich gebaseerd op de schriftelijke wilsverklaring conform art. 2 lid 2 Wtl.
Introductie van het praktijkvoorbeeld
Bij patiënte, een vrouw van tussen de 70 en 80 jaar, werd ruim een jaar voor het overlijden de ziekte van Alzheimer vastgesteld. Patiënte ervoer een verlies van regie over haar leven en daarmee ook haar waardigheid. Zij was altijd een zelfstandige vrouw geweest en was nu slechts een schim van haar vroegere zelf. De afgelopen maanden verloor patiënte haar plezier in het leven, patiënte was somber, futloos en kon niet meer genieten. In de laatste maanden voor het overlijden was bij haar in toenemende mate sprake van angst en onrust. Door deze recente achteruitgang kwam het moment naderbij dat zij zou moeten verhuizen naar een verpleeginstelling, iets wat zij absoluut niet wilde.
Al vorens bij patiënte de diagnose ‘dementie’ was gesteld, stelde zij, drie jaar voor het overlijden, een schriftelijke wilsverklaring op voor wanneer een dergelijke situatie zich zou voordoen en besprak zij haar euthanasiewens met haar arts. Nadat bij patiënte de diagnose ‘dementie’ was gesteld, sprak de arts geregeld met patiënte over haar in haar schriftelijke wilsverklaring vastgelegde euthanasieverzoek. Uit het dossier bleek dat patiënte in ieder geval zes maanden voor het overlijden nog wilsbekwaam was ten aanzien van haar euthanasieverzoek. Toen twee maanden voor het overlijden de daadwerkelijke mogelijkheid van euthanasie in beeld kwam bestond er echter twijfel over de wilsbekwaamheid van patiënte ten aanzien van haar euthanasieverzoek. Een expliciet verzoek tot uitvoering kon patiënte niet meer tot uiting brengen. Wel kon zij nog aangeven absoluut niet naar een verpleeghuis te willen. Nu een verhuizing naar een verpleeginstelling aanstaande was en patiënte steeds verder achteruitging, besloot de arts, in samenspraak met onder meer de kinderen van patiënte, over te gaan tot uitvoering van de levensbeëindiging op basis van de schriftelijke wilsverklaring.
De arts raadpleegde als consulent een onafhankelijke SCEN-arts, die patiënte ruim een maand voor het overlijden bezocht. De SCEN-arts adviseerde de arts een onafhankelijk deskundige te raadplegen die deskundig is om de wilsbekwaamheid van patiënte te beoordelen.
De arts volgde dit advies op en raadpleegde als onafhankelijk deskundige een specialist ouderengeneeskunde. De onafhankelijk deskundige bezocht patiënte ongeveer drie weken voor het overlijden. Vervolgens heeft de arts wederom contact gehad met de SCEN-arts.
De arts heeft de levensbeëindiging op verzoek uitgevoerd met de middelen, in de hoeveelheid en op de wijze als aanbevolen in de KNMG/KNMP Richtlijn Uitvoering euthanasie en hulp bij zelfdoding van september 2021.
In artikel 2, eerste lid, van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding (hierna: Wtl) staan de zes zorgvuldigheidseisen waaraan de arts moet voldoen wanneer hij levensbeëindiging op verzoek of hulp bij zelfdoding toepast. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat een schriftelijke wilsverklaring een mondeling verzoek van de patiënt kan vervangen. De tekst van artikel 2, eerste en tweede lid, Wtl is bijgevoegd in bijlage I.
In deze casus is sprake van een patiënte met voortgeschreden dementie, waarbij de arts zich heeft gebaseerd op de schriftelijke wilsverklaring van patiënte. In deze situatie zijn, zoveel als feitelijk mogelijk in de gegeven situatie, alle zorgvuldigheidseisen in artikel 2, eerste lid, Wtl van overeenkomstige toepassing.
In een situatie van voortgeschreden dementie bij de patiënt dient de arts met grote behoedzaamheid om te gaan met het verzoek om euthanasie. Deze behoedzaamheid betreft in het bijzonder de zorgvuldigheidseisen inzake de vrijwilligheid en weloverwogenheid van het verzoek, de ondraaglijkheid van het lijden en het ontbreken van een redelijke andere oplossing. De arts dient in dergelijke gevallen naast de reguliere consulent (SCEN-arts) tevens een onafhankelijke, ter zake deskundige arts te raadplegen ter (mede)beoordeling van de wils(on)bekwaamheid, de ondraaglijkheid van het lijden en het ontbreken van redelijke andere oplossingen (EuthanasieCode 2022, pagina 40-45).
Daarnaast heeft de commissie in deze casus expliciet stilgestaan bij de overige zorgvuldigheidseisen inzake de uitzichtloosheid van het lijden, de voorlichting over de situatie en vooruitzichten, de consultatie en de uitvoering.
Overwegingen van de commissie
Aan de hand van de feiten en omstandigheden ontleend aan het dossier en voor zover relevant overweegt de commissie als volgt.
Algemene overwegingen ten aanzien van het vrijwillig en weloverwogen verzoek bij euthanasie op basis van een schriftelijke wilsverklaring
Het inwilligen van een euthanasieverzoek van een patiënt die niet langer wilsbekwaam is en ook niet meer kan communiceren, is mogelijk in gevallen waarin de patiënt, toen hij nog wilsbekwaam was, een schriftelijke wilsverklaring heeft opgesteld zoals bedoeld in artikel 2, tweede lid, Wtl. Artikel 2, tweede lid, Wtl bepaalt dat een schriftelijke wilsverklaring een mondeling verzoek kan vervangen en dat de in artikel 2, eerste lid, Wtl genoemde zorgvuldigheidseisen van overeenkomstige toepassing zijn.
Hierbij moet de arts tot de overtuiging zijn gekomen dat de patiënt de schriftelijke wilsverklaring destijds vrijwillig en weloverwogen heeft opgesteld. De arts zal zich hierbij moeten baseren op zijn eigen beoordeling van het medische dossier en de concrete situatie van de patiënt, overleg met andere hulpverleners die met de patiënt een behandelrelatie hebben of hadden en overleg met familie en naasten, nu mondelinge verificatie van de wensen van de patiënt niet mogelijk is (EuthanasieCode 2022, pagina 41).
Daarnaast moet de arts vaststellen dat de actuele situatie van de patiënt overeenkomt met de situatie die de patiënt heeft geschetst in zijn schriftelijke wilsverklaring. Dit vergt allereerst de vaststelling van de inhoud van de schriftelijke wilsverklaring. De arts dient de schriftelijke wilsverklaring daarbij uit te leggen met het oog op het achterhalen van de bedoeling van de patiënt. Daarbij moet de arts letten op alle omstandigheden van het geval en niet slechts op de letterlijke bewoordingen van het verzoek. Er is dus ruimte voor interpretatie van de schriftelijke wilsverklaring (EuthanasieCode 2022, pagina 41).
De schriftelijke wilsverklaring moet steeds ten minste inhouden dat de patiënt om euthanasie verzoekt in de situatie waarin hij zijn wil niet meer kan uiten. Indien de patiënt zijn verzoek ook gehonoreerd wil zien als er geen sprake is van ondraaglijk lijden ten gevolge van fysiek lijden, moet daarnaast uit de schriftelijke wilsverklaring naar voren komen dat de patiënt zijn (verwachte) lijden aan deze situatie aanmerkt als ondraaglijk en dat hij dit aan zijn verzoek ten grondslag legt (EuthanasieCode 2022, pagina 42).
De arts moet bedacht zijn op met het euthanasieverzoek strijdige contra-indicaties die met name kunnen blijken uit verbale uitingen en gedragingen van de patiënt. De arts zal moeten beoordelen of eventuele contra-indicaties in de weg staan aan het kunnen uitvoeren van euthanasie. Contra-indicaties afkomstig uit de periode toen de patiënt zijn wil nog kon uiten kunnen worden opgevat als de intrekking of aanpassing van de eerdere schriftelijke wilsverklaring. De euthanasie kan dan niet plaatsvinden. Contra-indicaties afkomstig uit de periode toen patiënt (bijvoorbeeld door voortgeschreden dementie) zijn wil niet meer kon uiten, kunnen niet meer worden opgevat als de intrekking of aanpassing van de eerdere schriftelijke wilsverklaring. Ze kunnen wel worden opgevat als een indicatie die, in samenhang met het hele ziektebeeld en gedrag van patiënt, relevant is voor de beoordeling van de actuele lichamelijke en geestelijke gesteldheid van de patiënt (EuthanasieCode 2022, pagina 42).
De arts moet zich inspannen om betekenisvol te communiceren met de patiënt over onder meer het voornemen euthanasie uit te voeren. De arts is niet verplicht om te informeren naar een actuele levens- of stervenswens van een patiënt die zijn wil wat dat betreft niet meer kan uiten (EuthanasieCode 2022, pagina 42).
Feiten en overwegingen in deze specifieke situatie
Het vorenstaande in aanmerking nemend overweegt de commissie als volgt.
De arts was al jaren de huisarts van patiënte. Al vorens bij patiënte de diagnose ‘dementie’ was gesteld, stelde zij, drie jaar voor het overlijden, een schriftelijke wilsverklaring op voor wanneer een dergelijke situatie zich zou voordoen. Ruim een jaar voor het overlijden werd de ziekte van Alzheimer vastgesteld bij patiënte. De arts besprak de diagnose en de vooruitzichten met patiënte. De arts is ervan overtuigd dat patiënte toentertijd wilsbekwaam was ten aanzien van haar euthanasiewens, dat zij haar schriftelijke wilsverklaring vrijwillig en weloverwogen heeft opgesteld.
In haar wilsverklaring, opgesteld ruim drie jaar voor het overlijden, had patiënte – voor zover relevant - het volgende opgenomen:
“Het is mijn uitdrukkelijke wens zo lang mogelijk samen met mijn echtgenoot thuis te blijven wonen. Ook als ik alleen overblijf wil ik thuis blijven. Ik vind het belangrijk om zelfstandig en onafhankelijk te blijven.
Als er evt. hulp nodig is om dit mogelijk te maken moet deze maar ingehuurd worden.
Euthanasieverklaring teven wilsverklaring
Ziekenhuisopname en behandelingen, die mijn gezondheid verbeteren mogen uitgevoerd worden, b.v. reanimatie ín ziekenhuis en intensive care opnam na ingreep als b.v. heupoperatie.
Ik wil actieve euthanasie:
o Als ik ondraaglijk en uitzichtloos lijd. Dit kan zowel lichamelijk als geestelijk zijn.
o Als ik b.v. in een situatie kom waarbij ik blijvend totaal afhankelijk ben van de hulp van buitenstaanders, niet meer zelfstandig en onafhankelijk kan wonen; als ik niet meer kan communiceren/praten.
o In een verpleegtehuis worden opgenomen (anders dan tijdelijk b.v. voor revalidatie ) is voor mij ondraaglijk en uitzichtloos lijden.
o Dementie is voor mij ook ondraaglijk en uitzichtloos lijden. (Dat heb ik kunnen ervaren door getuige te moeten zíjn van het lijden van mijn vader)
Als actieve euthanasie níet mogelijk is ter plaatse, wil ik opgenomen worden in een levenseindekliniek
Voor alle duidelijkheid geef ik hierbij aan dat ik onder de hiervoor genoemde toestand uitdrukkelijk ook versta een toestand van ernstige dementie of van een onomkeerbaar coma die - gezien de oorzaak, de duur ervan en mijn leeftijd- geen grond geeft aan de verwachting dat ik kan terugkeren tot een voor mij waardige levensstaat.”
Nadat bij patiënte de diagnose ‘dementie’ was gesteld, sprak de arts geregeld met patiënte over haar in haar schriftelijke wilsverklaring vastgelegde euthanasieverzoek. Uit het dossier bleek dat patiënte in ieder geval zes maanden voor het overlijden nog wilsbekwaam was ten aanzien van haar euthanasieverzoek. De arts besprak zijn voornemen om euthanasie uit te voeren met de familie van patiënte en met andere hulpverleners die met patiënte een behandelrelatie hadden. Zij konden zich vinden in het voornemen van de arts. Toen twee maanden voor het overlijden de daadwerkelijke mogelijkheid van euthanasie in beeld kwam bestond er echter twijfel over de wilsbekwaamheid van patiënte ten aanzien van haar euthanasieverzoek. Wel kon patiënte nog aangeven dat zij niet naar een verpleeghuis wilde en niet meer op deze manier verder wilde leven.
De arts raadpleegde als consulent een onafhankelijke SCEN-arts, die patiënte ruim een maand voor het overlijden bezocht. De SCEN-arts concludeerde dat er sprake was van een patiënte waar niet meer goed mee te communiceren was en onduidelijk was of patiënte nog wilsbekwaam was ten aanzien van haar euthanasieverzoek. De SCEN-arts kwam in zijn verslag uiteindelijk tot de conclusie dat patiënte wilsonbekwaam was ten aanzien van haar euthanasieverzoek en was van oordeel dat de omstandigheden waarin patiënte verkeerde, overeenkwamen met hetgeen ze had bedoeld en had vastgelegd in haar schriftelijke wilsverklaring die ze had opgesteld toen ze nog wel wilsbekwaam ter zake was. De consulent vond dat het in de schriftelijke wilsverklaring verwoorde euthanasieverzoek in de plaats kon komen van een actueel mondeling verzoek. Voordat de SCEN-arts echter tot de conclusie kon komen dat aan de zorgvuldigheidseisen werd voldaan adviseerde deze de arts een onafhankelijk deskundige te raadplegen die deskundig is om de wilsbekwaamheid van patiënte te beoordelen. De arts volgde dit advies op.
De arts raadpleegde als onafhankelijk deskundige een specialist ouderengeneeskunde. De onafhankelijk deskundige bezocht patiënte ongeveer drie weken voor het overlijden en bevestigde de conclusie van de SCEN-arts dat patiënte wilsonbekwaam was ten aanzien van euthanasie en haar wilsverklaring. De onafhankelijk deskundige was van mening dat de omstandigheden waarin patiënte verkeerde overeenkwamen met hetgeen zij had bedoeld en had vastgelegd in haar schriftelijke wilsverklaring.
Oordeel commissie
De commissie constateert op basis van alle gegevens dat de arts tot de overtuiging kon komen dat patiënte wilsbekwaam was ten aanzien van haar euthanasieverzoek ten tijde van het opstellen van haar schriftelijke wilsverklaring.
Tevens constateert de commissie dat de arts tot de overtuiging kon komen dat patiënte niet meer wilsbekwaam was ten aanzien van haar euthanasieverzoek ten tijde van de uitvoering van de levensbeëindiging.
Ook stelt de commissie vast dat op het moment van de uitvoering van de levensbeëindiging sprake was van de omstandigheden die patiënte in haar schriftelijke wilsverklaring had beschreven. Uit het dossier en de mondelinge toelichting van de arts is het de commissie gebleken dat dat patiënte niet meer voor zichzelf kon zorgen, niet meer kon praten en in de nabije toekomst zou moeten verhuizen naar een verpleeginstelling.
Daarnaast constateert de commissie dat uit de schriftelijke wilsverklaring volgt dat patiënte verzocht om euthanasie indien zij haar wil niet meer zou kunnen uiten ten gevolge van de voortgeschreden dementie, dat zij haar (verwachte) lijden aan deze situatie aanmerkte als ondraaglijk en dat zij dit aan haar verzoek ten grondslag legde.
Uit de meldingsgegevens heeft de commissie geconcludeerd dat er geen verbale uitingen of gedragingen van patiënte zijn geweest die kunnen worden opgevat als met het euthanasieverzoek strijdige contra-indicaties.
Daarmee is het voor de commissie vast komen te staan dat het de wens was van patiënte om euthanasie te krijgen in de omstandigheden genoemd in haar wilsverklaring en dat deze omstandigheden zich tevens hadden voorgedaan.
Gelet op het voorgaande is de commissie van oordeel dat de arts de grote behoedzaamheid in acht heeft genomen die van hem werd verwacht en dat de arts kon concluderen dat uitvoering van de euthanasie in de lijn lag van de schriftelijke wilsverklaring van patiënte en dat daarvoor geen contra-indicaties bestonden. De commissie betrekt hierbij dat de arts hierin werd gesteund door de bevindingen van de consulent en de onafhankelijk deskundige.
De commissie is gelet op het voorgaande van oordeel dat de arts tot de overtuiging kon komen dat sprake was van een vrijwillig en weloverwogen verzoek van patiënte, waarbij het schriftelijk euthanasieverzoek als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Wtl in de plaats kon treden van het mondeling verzoek.
Uitzichtloos lijden en ontbreken redelijke andere oplossing
Algemene overwegingen ten aanzien van het uitzichtloos lijden en het ontbreken van een redelijke andere oplossing bij euthanasie op basis van een schriftelijke wilsverklaring
De commissie stelt voorop dat dementie een progressieve neurologische aandoening is, waarvan iemand niet kan genezen. Behandeling en begeleiding zijn gericht op vertraging van het proces en op het optimaal ondersteunen van de patiënt.
Als een patiënt eenmaal wilsonbekwaam is geworden ten aanzien van zijn euthanasieverzoek, kan de arts niet meer met de patiënt tot de overtuiging komen dat er voor de situatie waarin deze zich bevindt geen redelijke andere oplossing is. Derhalve dient de arts tot de overtuiging te zijn gekomen dat er zowel naar medisch inzicht, als in het licht van de schriftelijke wilsverklaring van de patiënt, geen redelijke andere oplossing is voor de actuele situatie waarin de patiënt zich bevindt. De arts zal zich hierbij moeten baseren op zijn eigen beoordeling van het medische dossier en de concrete situatie van de patiënt, overleg met andere hulpverleners die met de patiënt een behandelrelatie hebben of hadden en overleg met familie en naasten van de patiënt. Omdat de patiënt zijn wil niet meer kan uiten komt veel betekenis toe aan hetgeen de patiënt hierover in zijn schriftelijke wilsverklaring heeft opgenomen en erover heeft gezegd toen met hem nog wel communicatie mogelijk was. (EuthanasieCode 2022, pagina 43-44).
Feiten en overwegingen in deze specifieke situatie
Het vorenstaande in aanmerking nemend overweegt de commissie als volgt.
Zoals door de commissie reeds is vastgesteld was sprake van een situatie zoals beschreven in de schriftelijke wilsverklaring van patiënte. De commissie constateert dat de arts en patiënte de diagnose en de schriftelijke wilsverklaring van patiënte hebben besproken toen patiënte nog wilsbekwaam was ten aanzien van haar euthanasieverzoek. Patiënte had daarbij duidelijk aangegeven niet naar een verpleeghuis te willen.
Patiënte ging drie keer per week naar de dagopvang, daarnaast was er hulp van de thuiszorg. De medewerkers van de thuiszorg en de familieleden van patiënte waren zoveel mogelijk bij patiënte en probeerden haar goed te verzorgen, te begeleiden en gerust te stellen. Het werd echter steeds duidelijker dat het moment nabij was dat patiënte niet meer thuis kon wonen en zou moeten worden opgenomen in een instelling voor mensen met een dementieel beeld. En dat was precies waarvan patiënte altijd had gezegd dat zij dat pertinent niet wilde. Dit had zij ook expliciet opgenomen in haar schriftelijke wilsverklaring. Ten aanzien van het lijden en het ontbreken van een redelijke andere oplossing baseerde de arts zich op zijn eigen observaties (hij zag patiënte geregeld), op rapportages van en overleg met andere hulpverleners die met patiënte een behandelrelatie hadden en op overleg met de familie van patiënte.
De consulent concludeerde dat sprake was van uitzichtloos lijden. Door de onrust en afhankelijkheid die het gevolg waren van de vergevorderde dementie van patiënte was opname in een verpleeghuis onvermijdelijk, dit wilde patiënte pertinent niet. Er waren volgens de consulent geen redelijke andere oplossingen om het lijden van patiënte te verlichten.
De onafhankelijk deskundige concludeerde eveneens dat sprake was van ondraaglijk lijden dat zich uitte in angst en verdriet bij patiënte en dat er nauwelijks meer sprake was van kwaliteit van leven. Er waren geen andere redelijke oplossingen voorhanden die het lijden van patiënte zouden verlichten.
Oordeel commissie
Gelet op het voorgaande is de commissie van oordeel dat de arts de grote behoedzaamheid in acht heeft genomen die van haar werd verwacht.
De commissie is van oordeel dat de arts tot de overtuiging kon komen dat patiënte uitzichtloos leed en dat er geen redelijke andere oplossing was voor de situatie waarin zij zich bevond. De commissie betrekt hierbij dat de consulent en de onafhankelijk deskundige met de arts van oordeel waren dat er geen redelijke andere oplossing was.
Ondraaglijk lijden
Algemene overwegingen ten aanzien van het ondraaglijk lijden bij euthanasie op basis van een schriftelijke wilsverklaring.
Als een arts zich bij een euthanasie wil beroepen op de schriftelijke wilsverklaring van patiënt zoals bedoeld in artikel 2, tweede lid, WTL moet de arts er ten tijde van de uitvoering van de euthanasie van overtuigd zijn dat de patiënt ondraaglijk lijdt. Er kan sprake zijn van actueel ondraaglijk lijden door fysieke aandoeningen, maar er kan ook sprake zijn van actueel ondraaglijk lijden als de patiënt in de situatie verkeert die hij in zijn schriftelijke wilsverklaring heeft aangemerkt als (verwacht) ondraaglijk lijden en uit het bestendig gedrag van de patiënt kan worden afgeleid dat hij ondraaglijk lijdt. De enkele omstandigheid dat de patiënt zich bevindt in de in de schriftelijke wilsverklaring beschreven situatie volstaat niet voor de conclusie dat er daadwerkelijk sprake is van actueel ondraaglijk lijden. De arts zal steeds op een zorgvuldige en navolgbare wijze moeten vaststellen dat daadwerkelijk sprake is van actueel ondraaglijk lijden van de patiënt. Dit vergt een zorgvuldige beoordeling van de actuele toestand van de patiënt op basis van alle omstandigheden van het concrete geval. De arts kan zich hierbij baseren op zijn eigen beoordeling van het medische dossier en de concrete situatie van de patiënt, overleg met andere hulpverleners die met de patiënt een behandelrelatie hebben of hadden en overleg met familie en naasten. De vaststelling of er feitelijk sprake is van uitzichtloos en ondraaglijk lijden is een medisch-professioneel oordeel en derhalve voorbehouden aan de arts. De toetsing achteraf of de arts tot de overtuiging kon komen dat sprake was van ondraaglijk lijden komt neer op een toetsing of de arts in redelijkheid tot de conclusie kon komen dat sprake was van ondraaglijk lijden (EuthanasieCode 2022, pagina 42-43).
Feiten en overwegingen in deze specifieke situatie
Het vorenstaande in aanmerking nemend overweegt de commissie als volgt.
De commissie constateert dat uit het dossier en uit de mondelinge toelichting van de arts is gebleken dat de arts zich in de situatie van patiënte heeft verdiept. De arts zag patiënte regelmatig, waar hij haar lijden goed heeft kunnen observeren. De arts gaf aan dat er in de laatste maanden voor het overlijden een kanteling te zien was. Voor die tijd was patiënte over het algemeen opgewekt en kon zij nog genieten van het leven. In de laatste maanden voor het overlijden was patiënte echter somber en futloos en was er bij haar in toenemende mate sprake van angst en onrust. Zij kon niet meer voor zichzelf zorgen en was slechts een schim van haar vroegere zelf. Patiënte was totaal afhankelijk, kon niet meer zinvol communiceren en opname in een verpleeghuis was onvermijdelijk. De arts was ervan overtuigd dat patiënte ondraaglijk leed en dat dit de situatie was die zij in haar schriftelijke wilsverklaring had beschreven. Ten aanzien van het lijden baseerde de arts zich op zijn eigen observaties, op rapportages van en overleg met andere hulpverleners die met de patiënte een behandelrelatie hadden en op overleg met de familie van de patiënte.
Oordeel commissie
Gelet op het voorgaande is de commissie van oordeel dat de arts de grote behoedzaamheid in acht heeft genomen die van haar werd verwacht.
Uit al het vorenstaande volgt naar het oordeel van de commissie dat de arts op zorgvuldige wijze de ondraaglijkheid van het lijden heeft onderzocht en onderbouwd. De arts heeft uitgebreid stilgestaan bij de vraag of het lijden voor patiënte ondraaglijk was, ondanks dat patiënte door haar ziekte dit lijden niet mondeling kon verwoorden. Daarbij wordt doorslaggevend geacht dat de arts het actuele lijden van patiënte en haar achteruitgang zelf heeft kunnen waarnemen. De commissie betrekt hierbij in haar oordeel dat de onafhankelijk deskundige ook concludeerde dat patiënte actueel ondraaglijk leed.
De commissie is gelet op het voorgaande van oordeel dat de arts tot de overtuiging kon komen dat patiënte uitzichtloos en ondraaglijk leed. Tevens is de commissie van oordeel dat de arts tot de overtuiging kon komen dat er voor de situatie waarin patiënte zich bevond geen redelijke andere oplossing was.
Algemene overwegingen ten aanzien van de voorlichting over de situatie en de vooruitzichten bij euthanasie op basis van een schriftelijke wilsverklaring
De arts moet tot de overtuiging zijn gekomen dat de patiënt destijds voldoende was voorgelicht over zijn situatie en vooruitzichten en over de betekenis en de consequenties van zijn schriftelijke wilsverklaring. Tevens moet de arts zich, binnen de beperkingen die het onvermijdelijke gevolg zijn van de toestand van de patiënt, inspannen om hierover betekenisvol te communiceren met de patiënt, tenzij duidelijk is dat die beperkingen meebrengen dat dit onmogelijk is (EuthanasieCode 2022, pagina 43).
Feiten en overwegingen in deze specifieke situatie
Het vorenstaande in aanmerking nemend overweegt de commissie als volgt.
De commissie constateert dat de arts al jaren de huisarts was van patiënte. Ten tijde van de diagnosestelling ruim een jaar voor het overlijden, en ook in de periode daarna, was patiënte zowel door haar behandelend medisch specialisten als door de arts voorgelicht over haar situatie en haar vooruitzichten. Ook heeft de arts uitgebreid met patiënte gesproken over de betekenis en de consequenties van haar schriftelijke wilsverklaring. Patiënte was toen nog wilsbekwaam ten aanzien van haar euthanasiewens. Ook toen patiënte in de laatste maanden voorafgaand aan het overlijden achteruitging, bleef de arts zich inspannen om te communiceren met patiënte over het in haar schriftelijke wilsverklaring vastgelegde euthanasieverzoek.
Oordeel commissie
De commissie is gelet op het voorgaande van oordeel dat de arts de patiënte heeft voorgelicht over de situatie waarin zij zich bevond en over haar vooruitzichten.
Algemene overwegingen ten aanzien van de consultatie bij euthanasie op basis van een schriftelijke wilsverklaring
De eis met betrekking tot de raadpleging van ten minste één andere, onafhankelijke arts, die de patiënt heeft gezien en schriftelijk zijn oordeel heeft gegeven over de zorgvuldigheidseisen, geldt onverminderd in geval van euthanasie bij een patiënt die zijn wil betreffende euthanasie niet meer kan uiten. De wet schrijft voor dat de consulent de patiënt ziet. Dat is ook in deze situatie noodzakelijk. Van betekenisvolle communicatie tussen de consulent en de patiënte zal niet of nauwelijks sprake zijn. Dat betekent dat de consulent naast zijn eigen observatie, ook informatie van de arts en aanvullende informatie van anderen dan de arts zal moeten gebruiken om tot een oordeel te komen en zijn verslag te maken. Daarbij kan het gaat om het patiëntendossier en mondelinge informatie van de arts, specialistenbrieven, de inhoud van de wilsverklaring en gesprekken met naasten en/of verzorgenden. (EuthanasieCode 2022, pagina 44).
De omstandigheid dat de patiënt zijn wil niet meer kan uiten, zal doorgaans aanleiding geven om naast de reguliere consulent (SCEN-arts) een tweede onafhankelijke arts, met specifieke deskundigheid ter zake te raadplegen. Deze deskundige dient dan een – waar nodig op eigen onderzoek berustend – oordeel te geven over de wilsbekwaamheid ten aanzien van het euthanasieverzoek, de ondraaglijkheid en uitzichtloosheid van het lijden en het ontbreken van een redelijke andere oplossing (EuthanasieCode 2022, pagina 44).
Feiten en overwegingen in deze specifieke situatie
Het vorenstaande in aanmerking nemend overweegt de commissie als volgt.
De commissie constateert dat de arts een onafhankelijke SCEN-arts heeft geraadpleegd als consulent. De consulent sprak met de arts en las het patiëntenjournaal, de relevante specialistenbrieven, en de schriftelijke wilsverklaring van patiënte. De consulent observeerde het gedrag van patiënte en probeerde een gesprek met haar te voeren, maar moest concluderen dat een betekenisvol gesprek niet mogelijk was. De SCEN-arts concludeerde dat er sprake was van een patiënte waar niet meer goed mee te communiceren was en onduidelijk was of patiënte nog wilsbekwaam was ten aanzien van haar verzoek. De SCEN-arts adviseerde de arts een onafhankelijk deskundige te raadplegen die deskundig is om de wilsbekwaamheid van patiënte te beoordelen. De arts volgde dit advies op.
De commissie constateert dat de arts een onafhankelijke arts, met specifieke deskundigheid ter zake, heeft geraadpleegd. Deze onafhankelijke deskundige, tevens specialist ouderengeneeskunde, heeft patiënte ongeveer drie weken voor het overlijden bezocht. Een betekenisvol gesprek voeren met patiënte bleek niet mogelijk, patiënte kon enkel nog gebaren, de onafhankelijke deskundige heeft voor zover als mogelijk een gesprek met patiënte gevoerd en haar daarnaast geobserveerd en tevens gesproken met de partner van patiënte en haar dochter.
Na het raadplegen van de onafhankelijk deskundige zocht de arts een week voor het overlijden opnieuw contact met de SCEN-arts en bespraken de arts en de consulent de door de onafhankelijk deskundige gestelde conclusies. De consulent schreef naar aanleiding daarvan een gemotiveerd addendum als toevoeging bij zijn eerder opgestelde SCEN-verslag en kwam hierin tot het oordeel dat aan de zorgvuldigheidseisen was voldaan.
Oordeel commissie
De commissie is gelet op het voorgaande van oordeel dat de arts ten minste één andere, onafhankelijke arts heeft geraadpleegd, die de patiënte heeft gezien en schriftelijk zijn oordeel heeft gegeven over de zorgvuldigheidseisen, bedoeld in de onderdelen a tot en met d.
Algemene overwegingen ten aanzien van de medisch zorgvuldige uitvoering bij euthanasie op basis van een schriftelijke wilsverklaring
Onderdeel van een medisch zorgvuldige uitvoering is een voorbereiding en uitvoering waarbij ook rekening wordt gehouden met mogelijk irrationeel of onvoorspelbaar gedrag van de patiënt. De toepassing van euthanasie moet op een voor de patiënt zo comfortabel mogelijke manier gebeuren. Als er bij een wilsonbekwame patiënt aanwijzingen zijn dat onrust, agitatie of agressie kan ontstaan bij de uitvoering van euthanasie, kunnen de door de arts in acht te nemen medische maatstaven hem tot de conclusie brengen dat premedicatie is aangewezen. Uitgangspunt is dat de arts zich inspant om betekenisvol te communiceren met de patiënt over het moment en de wijze waarop de euthanasie zal worden uitgevoerd, waaronder de eventuele toediening van premedicatie. Als er geen betekenisvolle communicatie mogelijk is met de patiënt als gevolg van de situatie waarin de patiënt zich bevindt, is het niet noodzakelijk dat de arts met de patiënt overlegt over het moment en de wijze waarop de euthanasie zal worden uitgevoerd. Zo’n gesprek zou niet alleen zinloos zijn omdat bij een dergelijke patiënt het begrip over deze onderwerpen ontbreekt, maar zou mogelijk ook agitatie en onrust kunnen veroorzaken (zie EuthanasieCode 2022, pagina 45).
Tijdens zijn contacten met de patiënt moet de arts letten op contra-indicaties voor de euthanasie (EuthanasieCode 2022, pagina 45).
Feiten en overwegingen in deze specifieke situatie
Het vorenstaande in aanmerking nemend overweegt de commissie als volgt.
Uit het dossier van de arts is gebleken dat de arts heeft overwogen om premedicatie toe te dienen om eventuele onrust op het moment van uitvoering te voorkomen. Uiteindelijk bleek op de dag van de uitvoering geen sprake van onrust bij patiënte, waardoor is besloten geen premedicatie toe te dienen. Na het plaatsen van het infuus door de ambulanceverpleegkundige heeft de arts de euthanasie uitgevoerd conform de Richtlijn Uitvoering euthanasie en hulp bij zelfdoding van de KNMG/KNMP van september 2021.
Oordeel commissie
Gezien er geen sprake was van onrust bij patiënte ten gevolge van haar aandoening is de commissie van oordeel dat het van een juiste medisch-professionele inschatting getuigt dat de arts besloot geen premedicatie toe te dienen aan patiënte. De euthanasie is voor patiënte op een comfortabele manier verlopen. De arts heeft in de aanloop naar de uitvoering geen contra-indicaties waargenomen.
De commissie is gelet op het voorgaande van oordeel dat de arts de levensbeëindiging op verzoek medisch zorgvuldig heeft uitgevoerd.
Beslissing
De arts heeft gehandeld overeenkomstig de zorgvuldigheidseisen bedoeld in artikel 2, eerste en tweede lid, Wtl.