De arts vond dat de patiënt met dementie nog wilsbekwaam was. De consulent nam in zijn verslag op dat hij vond dat patiënt niet meer wilsbekwaam was, maar dat aan de zorgvuldigheidseisen was voldaan. De arts en de consulent hebben op verzoek van de commissie een mondelinge toelichting gegeven. Uit die gesprekken kwam naar voren dat beiden een andere visie hadden op de wilsbekwaamheid van de patiënt.
De arts heeft het echter voor de commissie voldoende aannemelijk gemaakt dat zij ervan overtuigd kon zijn dat patiënt een vrijwillig en weloverwogen verzoek om euthanasie deed. De commissie wijst de arts er wel op dat zij in een eventueel volgend geval een motivatie in haar modelverslag opneemt wanneer blijkt van haar visie en die van de consulent van elkaar afwijken.
Introductie van het praktijkvoorbeeld
Bij de patiënt, een man van tussen de 70 en 80 jaar, werd circa vijf jaar voor het overlijden een meningeoom verwijderd. Er was bij patiënt daardoor tevens sprake van epilepsie. Patiënt bleek moeizaam te herstellen van deze operatie. Bij aanvullend onderzoek werd twee jaar voor het overlijden vastgesteld dat er sprake was van de ziekte van Alzheimer. Er werd geprobeerd om het ziekteproces af te remmen, maar dat had nauwelijks effect.
Patiënt werd steeds minder actief en zijn wereld werd kleiner. Hij had geregeld momenten waarin hij zijn familie niet meer als zodanig herkende en was zich daar achteraf dan pijnlijk van bewust. Ook ervoer hij steeds vaker momenten waarin hij moeite had om zich uit te drukken. Hij kon apparaten in huis niet meer goed bedienen. Patiënt had heel zijn leven verschillende instrumenten bespeeld, maar dat lukte hem niet meer. Hij ervoer zijn leven als leeg en wilde verdere aftakeling niet meemaken.
Patiënt sprak sinds acht maanden geregeld met de arts over euthanasie. Vanaf twee maanden voor het overlijden werd zijn verzoek meer urgent. Nadat hij hersteld was van een griepepisode waarin patiënt delirant was geworden, ongeveer een week voor het overlijden, besefte patiënt hoezeer hij moeite kreeg om zich uit te drukken en werd zijn verzoek dringend actueel. Patiënt verzocht de arts daarom twee dagen voor het overlijden om uitvoering te geven aan zijn euthanasieverzoek.
De arts had de vroegconsulent, een onafhankelijk SCEN-arts, in het kader van een vroegconsult benaderd. De vroegconsulent bezocht patiënt zeven maanden voor het overlijden. Nadat het verzoek van patiënt actueel was geworden probeerde de arts de vroegconsulent voor een nieuw bezoek te benaderen. De vroegconsulent bleek niet beschikbaar. De arts verzocht daarom de consulent, eveneens een onafhankelijk SCEN-arts, om patiënt te bezoeken. De consulent bezocht patiënt de dag voor het overlijden van patiënt. De consulent nam in zijn verslag op dat hij vond dat patiënt niet meer wilsbekwaam was, maar dat aan de zorgvuldigheidseisen was voldaan.
De arts heeft de hulp bij zelfdoding uitgevoerd met de middelen, in de hoeveelheid en op de wijze als aanbevolen in de KNMG/KNMP Richtlijn Uitvoering euthanasie en hulp bij zelfdoding van september 2021.
In artikel 2, eerste lid, van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding (hierna: Wtl) staan de zes zorgvuldigheidseisen waaraan de arts moet voldoen, wanneer hij levensbeëindiging op verzoek of hulp bij zelfdoding toepast. De tekst van artikel 2, eerste lid, Wtl is bijgevoegd in bijlage I.
In deze melding is sprake van een patiënt met dementie. De commissie heeft daarom nader stilgestaan bij de zorgvuldigheidseis inzake de vrijwilligheid en weloverwogenheid van het verzoek (artikel 2, eerste lid, onder a, Wtl).
Overwegingen van de commissie
Aan de hand van de feiten en omstandigheden ontleend aan het dossier en voor zover relevant overweegt de commissie als volgt.
Het was de commissie opgevallen dat de consulent in zijn verslag had opgeschreven dat hij patiënt wilsonbekwaam vond, maar tegelijkertijd noteerde dat patiënt een concrete euthanasiewens had. De conclusie van de consulent was dat aan de zorgvuldigheidseisen was voldaan. De arts zette in haar verslag uiteen dat zij patiënt wilsbekwaam ten aanzien van zijn verzoek vond, maar de commissie trof geen reflectie aan over de bevindingen van de consulent.
Deze discrepantie in de verslagen is voor de commissie aanleiding geweest om zowel de arts als de consulent uit te nodigen voor een mondelinge toelichting. Aan de arts en de consulent is, onder andere, gevraagd toe te lichten of zij van mening waren of patiënt wilsbekwaam was, of zij de conclusie van het SCEN-verslag met elkaar hebben besproken en of is overwogen/geadviseerd om een onafhankelijk deskundige te raadplegen.
De arts en de consulent hebben het volgende – voor zover relevant - toegelicht:
De arts lichtte toe dat zij het verslag van de consulent voorafgaand aan het verlenen van de hulp bij zelfdoding had gelezen. Zij las daarin dat aan alle zorgvuldigheidseisen was voldaan. De arts zag dat de consulent had genoteerd dat patiënt een concreet euthanasieverzoek had en dat patiënt goed ziekte-inzicht had. Het is haar op dat moment niet opgevallen dat de consulent het woord ‘wilsonbekwaam’ had opgeschreven. De arts meende zich in het telefoongesprek met de consulent ook te herinneren dat hij zei dat er aan de zorgvuldigheidseisen was voldaan en dat het woord ‘wilsonbekwaam’ niet was gevallen. Zij was er daarom van overtuigd geraakt dat zij de hulp bij zelfdoding kon verlenen. De arts had inmiddels wel gezien dat sprake was van een discrepantie in het verslag.
Het is de stellige overtuiging geweest van de arts dat patiënt wilsbekwaam was. Zij en patiënt waren al lang op zoek geweest naar het moment dat voor patiënt een grens was bereikt en zij had hem nu voor het eerst duidelijk horen zeggen dat het moment was aangebroken dat hij euthanasie wilde. Patiënt was weliswaar al wat verder in zijn ziekteproces, waardoor hij enige begeleiding nodig had in gesprekken, maar zij was er altijd van overtuigd dat patiënt nog wilsbekwaam was. Wat de arts daarin nog meer heeft gesterkt, is dat zij voor het verlenen van de hulp bij zelfdoding nogmaals aan patiënt heeft geverifieerd of hij wist waar zij voor kwam. Patiënt wist dit en daarna had hij de barbituraatdrank vastberaden opgedronken.
De consulent lichtte toe dat hij zijn gesprekken in zijn rol als SCEN-arts altijd zo open mogelijk voert. Hij wil namelijk graag van de patiënt zelf horen wat hij precies wil en daarin niet sturend zijn. Op het moment van zijn bezoek had hij patiënt niet wilsbekwaam gevonden. Patiënt kon namelijk niet goed uitleggen dat hij euthanasie wilde. Het lukte patiënt wel om uit te leggen hoezeer hij onder zijn situatie leed. Patiënt gaf tijdens het gesprek aan dat de situatie moest eindigen, maar hij kon daarbij niet aangeven dat hij dit graag middels euthanasie wilde. Het was voor de consulent wel evident dat patiënt in de situatie was beland die hij in zijn wilsverklaring had omschreven. Op basis daarvan vond hij dat aan de zorgvuldigheidseisen was voldaan. De consulent zag nu eveneens dat er sprake was van een discrepantie in zijn verslag, wat het gevolg was van een zinsnede die per ongeluk in het sjabloon terecht was gekomen en was blijven staan. De consulent heeft zijn verslag aan de arts gestuurd en, zoals hij altijd doet, gezegd dat zij konden bellen als zij iets anders van zijn verslag had verwacht.
De consulent kon zich niet meer herinneren of zij nadien nog een telefoongesprek hebben gevoerd.
Op basis van de mondelinge toelichtingen blijft vast staan dat de arts en de consulent een andere visie hadden over de wilsbekwaamheid van patiënt. De commissie houdt echter indachtig dat bij een verschil van mening tussen de arts en de consulent, de arts kan besluiten het verzoek van de patiënt niettemin te honoreren. Dat besluit zal de arts wel afdoende moeten kunnen motiveren; de arts dient in dat geval expliciet te reflecteren op de visie die de consulent heeft ingebracht.
In het onderhavige geval heeft de arts het voor de commissie voldoende aannemelijk gemaakt dat zij ervan overtuigd kon zijn dat patiënt een vrijwillig en weloverwogen verzoek om euthanasie deed. De commissie betrekt hierbij dat de arts een langdurige vertrouwensband met patiënt had opgebouwd en dat zij over een langere periode met patiënt over zijn euthanasieverzoek heeft gesproken. De commissie weegt tevens mee dat uit het gesprek met de arts en de aanvullende informatie die zij heeft aangeleverd voor de commissie vast is komen te staan dat patiënt nog op begrijpelijke wijze kon communiceren over zijn euthanasieverzoek, hij relevante informatie over zijn situatie en prognose kon begrijpen, dat hij voldoende ziekte-inzicht had en dat hij duidelijk kon maken waarom hij euthanasie wilde.
De commissie wil de arts er wel op wijzen, dat zij in een eventueel volgend geval, een motivatie in haar modelverslag opneemt wanneer blijkt van een discrepantie in het verslag van de consulent en haar visie en die van de consulent van elkaar afwijken. De arts heeft immers groot belang bij een degelijk en volledig consultatieverslag en dient de bevindingen van de consulent zwaar te laten wegen. Tot slot merkt de commissie nog op dat het op de weg van de consulent had gelegen om de arts erop te wijzen dat een onderzoek door een onafhankelijk deskundige aan te raden was, toen hij vond dat patiënt niet meer wilsbekwaam was. De commissie verwijst daarbij naar paragraaf 4.4 van de EuthanasieCode 2022.
De commissie is van oordeel dat de arts de overtuiging kon krijgen dat sprake was van een vrijwillig en weloverwogen verzoek van patiënt.
Na het bestuderen van het dossier is de commissie tot de conclusie gekomen dat ook aan de overige zorgvuldigheidseisen is voldaan en dat die geen nadere motivering behoeven. De commissie is van oordeel dat de arts tot de overtuiging kon komen dat er sprake was van uitzichtloos en ondraaglijk lijden. De arts heeft de patiënt voldoende voorgelicht over de situatie waarin hij zich bevond en over zijn vooruitzichten. De arts kon met de patiënt tot de overtuiging komen dat er voor de situatie waarin hij zich bevond geen redelijke andere oplossing was. De arts heeft ten minste één andere, onafhankelijke arts geraadpleegd, die de patiënt heeft gezien en schriftelijk zijn oordeel heeft gegeven over de zorgvuldigheidseisen. De arts heeft de hulp bij zelfdoding medisch zorgvuldig uitgevoerd.
Beslissing
De arts heeft gehandeld overeenkomstig de zorgvuldigheidseisen bedoeld in artikel 2, eerste lid, Wtl.