Medisch zorgvuldige uitvoering

Deze hoofdrubriek bevat 2 rubrieken:

De arts moet de levensbeëindiging op verzoek of hulp bij zelfdoding medisch zorgvuldig hebben uitgevoerd. Op deze pagina vindt u onder het tabblad 'Uitspraken' oordelen van de toetsingscommissies die betrekking hebben op deze zorgvuldigheidseis.

Komt het tot euthanasie, dan moet deze door de arts medisch zorgvuldig worden uitgevoerd. Het gaat hierbij onder meer om de keuze van de te gebruiken middelen en de dosering daarvan en om de controle van de diepte van het geïnduceerde coma. Bij het beoordelen van deze zorgvuldigheidseis hanteren de commissies de KNMG/KNMP Richtlijn Uitvoering euthanasie en hulp bij zelfdoding uit 2012 (hierna: de richtlijn) als leidraad. Deze richtlijn geeft artsen enapothekers advies over een in de praktijk goed toepasbare en effectieve uitvoering van euthanasie en hulp bij zelfdoding. De richtlijn geeft de middelen van eerste keuze aan, maar noemt ook middelen die worden afgeraden.

Algemeen

Hieronder wordt met betrekking tot de uitvoering onderscheid gemaakt tussen levensbeëindiging op verzoek (= de arts dient de middelen toe) en hulp bij zelfdoding (= de patiënt neemt zelf de door de arts verstrekte middelen in). Bepaalde normen zijn in beide  gevallen van belang. Zo is het belangrijk dat de arts in zijn verslaglegging de gebruikte middelen, de dosering en de toedieningswijze vermeldt en het tijdsverloop beschrijft. In beide gevallen geldt voorts dat de arts moet beschikken over een noodset van middelen, voor het geval er met de eerste set iets mis gaat. Het is niet toegestaan dat de arts het euthanaticum voorafgaand aan de levensbeëindiging of de hulp bij zelfdoding bij de patiënt achterlaat, waardoor de patiënt of anderen het buiten aanwezigheid van de arts zouden kunnen toedienen respectievelijk innemen.

Levensbeëindiging op verzoek: volgorde van de middelen en dosering

In het geval van levensbeëindiging op verzoek gaat de genoemde richtlijn uit van de intraveneuze toediening van een coma inducerend middel, gevolgd door de intraveneuze toediening van een spierverslappend middel. De richtlijn noemt de middelen die kunnen  worden gebruikt en de aanbevolen dosering daarvan. Wijkt de arts van de richtlijn af, dan zal hij dit afdoende moeten kunnen beargumenteren. Het is raadzaam dat de arts voorafgaand aan de uitvoering met patiënt en familie bespreekt wat het effect van de te gebruiken middelen zal zijn. Het is van belang individuele wensen van de patiënt, zoveel als mogelijk is, te vervullen, voor zover die wensen passen binnen het kader van de richtlijn. Voorafgaand aan het gebruik van een coma inducerend middel kan aan een patiënt premedicatie worden toegediend, bijvoorbeeld midazolam.

Levensbeëindiging op verzoek: comacheck

Voorkomen moet worden dat het spierverslappende middel wordt toegediend voordat de patiënt in een diep coma is. Dan zou de patiënt namelijk de gevolgen van de spierverslapper kunnen ervaren. Belangrijk is dan ook dat de arts een ‘comacheck’ uitvoert, alvorens het spierverslappende middel wordt toegediend. De arts moet vaststellen dat er een voldoende diep coma is. Bij twijfel zullen de commissies navraag doen over de diepte van het coma en de wijze waarop deze door de arts is vastgesteld.

Levensbeëindiging op verzoek: uitvoering door de arts zelf

Het is niet toegestaan dat de arts in zijn aanwezigheid een familielid of anderen de euthanatica laat toedienen, bijvoorbeeld via een PEG sonde. De arts behoort alle onderdelen van het proces zelf uit te voeren. Dit houdt ook in dat de arts aanwezig is en blijft tot de dood is ingetreden.

Hulp bij zelfdoding: middel en dosering

Hulp bij zelfdoding houdt in dat de arts het middel (een barbituraat), na het opgelost te hebben in een drank, aan de patiënt overhandigt die dat vervolgens opdrinkt. De eerder beschreven twee fasen (de  patiënt eerst in coma brengen en dan een spierverslapper toedienen) zijn hier niet aan de orde. Wel dient de arts de patiënt voorafgaand aan de hulp bij zelfdoding een middel te geven dat braken tegengaat en de maagpassage versnelt. De aard en dosering van de bij hulp bij zelfdoding te gebruiken middelen zijn te vinden in de richtlijn.

Hulp bij zelfdoding: de arts blijft in de onmiddellijke nabijheid

Als de patiënt dat wenst kan de arts de kamer verlaten, nadat de patiënt het euthanaticum heeft ingenomen. Hij behoort echter wel in de directe nabijheid van de patiënt te blijven, om bij complicaties snel te kunnen ingrijpen (bijvoorbeeld als de patiënt de barbituraatdrank

uitbraakt). Het kan dan gebeuren dat de arts alsnog moet overgaan tot levensbeëindiging. Ook kan het voorkomen dat de patiënt niet overlijdt na het innemen van de barbituraatdrank. De arts zal dan na zekere tijd moeten overgaan tot levensbeëindiging. Die mogelijkheid moet hij van te voren met de patiënt en diens familie bespreken en met de patiënt een tijd afspreken waarna tot levensbeëindiging wordt overgegaan. De arts dient hierop bedacht te zijn, door in geval van hulp bij zelfdoding vooraf een infuusnaald bij de patiënt in te brengen en de middelen voor levensbeëindiging bij zich hebben.

De verhouding tussen de arts en de apotheker

De arts is eindverantwoordelijk voor een medisch zorgvuldige uitvoering. Zijn handelen wordt door de commissies beoordeeld. De apotheker heeft een eigen verantwoordelijkheid, indien hij de spuiten of de drank bereidt, voor de bereiding en etikettering. De arts behoort te controleren of hij ook daadwerkelijk de juiste middelen met de juiste dosering afgeleverd krijgt. Belangrijk is dat de apotheker voldoende ruimte en tijd heeft om tot een juiste afweging te kunnen komen wat betreft de farmaceutische aspecten, zoals de juiste middelen en methode. Tijdig contact tussen arts en apotheker is dus van belang.

 

Het is niet de bedoeling dat de apotheker zelf ook nog eens beoordeelt of aan alle wettelijke zorgvuldigheidseisen voor euthanasie is voldaan. Dat is de taak van de arts. Het ligt dan ook niet in de rede dat een apotheker aflevering van middelen weigert, omdat hij in de betreffende situatie een andere mening over de zorgvuldigheidseisen heeft dan de arts. Los daarvan staat dat een apotheker, net zoals een arts, geen plicht heeft om medewerking te verlenen aan euthanasie. Ook dit is een argument voor tijdig contact tussen arts en apotheker, om problemen in de laatste fase te voorkomen.
 

Medisch zorgvuldige uitvoering levensbeëindiging op verzoek: kernpunten

  • Achtereenvolgens:

- toedienen door de arts van coma inducerend middel

- comacheck

- toedienen door de arts van spierverslapper

  • Te gebruiken middelen, dosering, toedieningswijze en comacheck: KNMG/KNMP Richtlijn 2012
  • Arts heeft noodset intraveneuze middelen bij zich

Medisch zorgvuldige hulp bij zelfdoding: kernpunten

  • Achtereenvolgens:

- van te voren intraveneuze naald en antibraakmiddel

- tijdsverloop en eventuele levensbeëindiging met patiënt en familie bespreken

- overhandiging door de arts zelf van de barbituraatdrank

- arts blijft aanwezig of in de directe nabijheid tot de dood is vastgesteld

  • Te gebruiken middelen, dosering en toedieningswijze: KNMG/KNMP Richtlijn 2012
  • Arts heeft set intraveneuze middelen bij zich

 

Bron: Code of Practice