De arts moet de overtuiging hebben gekregen dat er sprake was van uitzichtloos en ondraaglijk lijden van de patiënt. Op deze pagina vindt u onder het tabblad 'Uitspraken' oordelen van de toetsingscommissies die betrekking hebben deze zorgvuldigheidseis.

Medische grondslag van het lijden

De arts moet de overtuiging krijgen dat er sprake is van uitzichtloos en ondraaglijk lijden van de patiënt. In de zaak Brongersma uit 2002 sprak de Hoge Raad uit dat het lijden van de patiënt zijn oorzaak moet vinden in een medische aandoening. Die aandoening kan zowel somatisch als psychiatrisch van aard zijn. Het hoeft het niet te gaan om één overheersend medisch probleem. Het lijden van de patiënt kan ook het gevolg zijn van een stapeling van grotere en kleinere gezondheidsproblemen. De optelsom van medische problemen kan, in samenhang met de ziektegeschiedenis, de biografie, de persoonlijkheid, het waardepatroon en de draagkracht van de patiënt, een lijden doen ontstaan dat voor de patiënt ondraaglijk is.

Enkele algemene aspecten

Lijden is een breed begrip. Lijden kan het gevolg zijn van pijn en benauwdheid, overheersende uitputting en moeheid, maar ook van een toenemende afhankelijkheid of een door de patiënt ervaren ontluistering, lichamelijke achteruitgang, uitzichtloosheid of verlies van waardigheid. Al in het Schoonheim-arrest uit 1984 oordeelde de Hoge Raad dat lijden kan bestaan uit (angst voor) steeds verdergaande  ontluistering of uit het vooruitzicht niet meer waardig te kunnen sterven.

De lijdensdruk die de patiënt ervaart, heeft zelden slechts één dimensie. In de praktijk gaat het vrijwel altijd om een combinatie van facetten van lijden, waaronder de uitzichtloosheid, die de ondraaglijkheid daarvan bepalen. De arts moet dus alle aspecten onderzoeken die tezamen het lijden voor de patiënt ondraaglijk maken. Belangrijk is dat de patiënt het lijden ervaart. Er kunnen zich situaties voordoen waarin dat niet (meer) het geval is, zoals bij coma, of waarin daarover twijfel bestaat, zoals bij verlaagd bewustzijn; bij palliatieve sedatie zijn beide situaties denkbaar. Is de patiënt in een situatie komen te verkeren waarin hij het lijden niet (meer) kan ervaren, dan is inwilliging van een verzoek om euthanasie in beginsel niet mogelijk. Het feit dat de naasten van de patiënt diens situatie als ontluisterend ervaren,  maakt dat niet anders.

 

Dat de patiënt het lijden ervaart, kan blijken uit wat hij erover zegt, maar ook uit andere uitingen of lichaamsreacties van de patiënt. Het gaat om het totaalbeeld. In gevallen waarin de patiënt zijn lijden niet meer goed onder woorden kan brengen, dient de arts juist ook acht te slaan op andere signalen die iets kunnen zeggen over de lijdensdruk van de patiënt.

Uitzichtloosheid van het lijden

Het lijden van een patiënt wordt als uitzichtloos beschouwd als de ziekte of aandoening die het lijden veroorzaakt niet te genezen is en het ook niet mogelijk is de symptomen zodanig te verzachten dat daardoor de ondraaglijkheid verdwijnt. Bij het beoordelen van de uitzichtloosheid staan de diagnose en de prognose centraal. De uitzichtloosheid betreft de vraag of er een reëel uitzicht is op het  wegnemen of verzachten van de symptomen anders dan door euthanasie. Daarbij moet rekening worden gehouden met zowel de mate van verbetering die door een behandeling kan worden bereikt als met de belasting die deze behandeling voor de patiënt met zich brengt. De uitzichtloosheid moet worden gezien in relatie tot de ziekte of aandoening van de patiënt en de daarmee verbonden symptomen. Van uitzichtloosheid is sprake wanneer reële, en voor de patiënt redelijke, curatieve of palliatieve behandelopties ontbreken. De beoordeling van de uitzichtloosheid van het lijden hangt nauw samen met het beoordelen van de zorgvuldigheidseis dat voor het wegnemen van het lijden geen redelijke andere oplossing bestaat (art. 2 lid 1 onder d WTL).

 

Patiënten gebruiken de term uitzichtloos ook om aan te geven dat het feit dat er geen verbetering meer mogelijk is, voor hen onaanvaardbaar is en dat zij wensen dat er een einde komt aan hun lijden. In die zin draagt de door de patiënt ervaren uitzichtloosheid bij aan de ondraaglijkheid van het lijden.

Ondraaglijkheid van het lijden

De ondraaglijkheid van het lijden is soms moeilijk vast te stellen, omdat de beleving van lijden sterk persoonsgebonden is. Wat voor de ene patiënt nog draaglijk kan zijn, is dat voor de andere patiënt niet. Het gaat om de beleving van de individuele patiënt, in het licht van zijn levens- en ziektegeschiedenis, persoonlijkheid, normen en waarden en (fysieke en psychische) draagkracht. Het is dan ook belangrijk  om bij het beoordelen van het lijden de ‘biografie’ van de patiënt te betrekken. Het gaat erom of voor de arts invoelbaar is dat het lijden voor déze patiënt ondraaglijk is. De arts dient zich dan ook niet alleen in de situatie, maar ook in het perspectief van de betreffende patiënt te verplaatsen. De angst voor in het verschiet liggende achteruitgang van de gezondheid kan voor de patiënt een bepalende factor bij het lijden zijn. Hierbij kan het gaan om (angst voor) toenemende pijn, verdergaande ontluistering, benauwdheid of misselijkheid, maar ook om situaties waarin kernwaarden van de patiënt (zoals zelfstandigheid en waardigheid) worden aangetast. Het actuelelijden van de patiënt hangt dan samen met het besef dat zijn situatie alleen maar slechter zal worden en dat waarden en omstandigheden die voor de patiënt belangrijk zijn steeds meer onder druk komen te staan. Te denken valt hierbij niet alleen aan bijvoorbeeld kanker, maar ook aan voortschrijdende ALS, MS, dementie of de ziekte van Huntington.

Uitzichtloos en ondraaglijk lijden: kernpunten

  • Het lijden heeft een medische grondslag
  • Lijden kan gevolg zijn van optelsom van psychische en fysieke aspecten
  • Uitzichtloosheid: er is geen reëel alternatief voor euthanasie (zie ook par. 3.5)
  • Ondraaglijk lijden: het gaat om het lijden van ‘deze’ patiënt (in relatie tot zijn biografie,  persoonlijkheid, draagkracht en waardepatroon). Het lijden is voor de arts invoelbaar
  • Lijden kan bestaan uit angst voor toekomstige achteruitgang
  • De patiënt zelf ervaart het lijden

 

Bron: Code of Practice