Schriftelijke wilsverklaring

Art. 2 lid 2 WTL bepaalt dat een patiënt van 16 jaar of ouder, die ter zake wilsbekwaam is, een schriftelijke verklaring kan opstellen waarin hij een verzoek om euthanasie doet (hierna te noemen: schriftelijke wilsverklaring). Doet zich nadien de situatie voor dat de patiënt zijn wil niet langer kan uiten (bijvoorbeeld ten gevolge van voortgeschreden dementie, afasie, verlaagd bewustzijn of palliatieve sedatie), dan mag de arts de schriftelijke wilsverklaring opvatten als het verzoek als bedoeld in art. 2 lid 1 onder a WTL.

Daarmee heeft de schriftelijke wilsverklaring dezelfde status als een mondeling verzoek om euthanasie. (zie brief van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport d.d. 4 juli 2014 betreffende Schriftelijke wilsverklaring bij euthanasie).

De wet stelt niet de eis dat een eenmaal opgestelde schriftelijke wilsverklaring een bepaalde geldigheidsduur heeft of op gezette tijden moet worden geactualiseerd. Hoe ouder echter de wilsverklaring is, hoe meer twijfel mogelijk is over de vraag of deze nog wel weergeeft wat de patiënt werkelijk wilde. In gevallen waarin de patiënt de wilsverklaring heeft geactualiseerd, of na het opstellen ervan mondeling de inhoud heeft herbevestigd, zal aan de verklaring meer waarde kunnen worden gehecht dan wanneer dat niet het geval is. Het is van belang dat de patiënt zo veel mogelijk de concrete omstandigheden beschrijft waarin hij wil dat de levensbeëindiging wordt uitgevoerd. Het is de verantwoordelijkheid van de patiënt de wilsverklaring ten tijde van het opstellen en het actualiseren daarvan, met de arts te bespreken. De arts dient deze informatie in het dossier op te nemen. Een persoonlijk opgestelde verklaring van de patiënt, waarin deze een beschrijving in eigen woorden geeft, heeft doorgaans meer betekenis dan een voorgedrukt formulier. 

Schriftelijke wilsverklaring: aandachtspunten
©RTE