Eisen die de wet niet stelt

Over de criteria en voorwaarden die in het geval van euthanasie gelden, bestaan misverstanden. Uit de door de commissies ontvangen meldingen blijkt soms dat artsen of consulenten eisen stellen die in de WTL niet worden genoemd. De eisen die de wet wel stelt zijn in het voorafgaande besproken en toegelicht. Uit deze bespreking kan worden afgeleid welke eisen de wet niet stelt.

Samengevat:

• Vereist is niet dat patiënt aan een levensbedreigende aandoening lijdt (zie hoofdlijnen van de wet: zorgvuldigheidseisen en uitzichtloos en ondraaglijk lijden;

• Vereist is niet dat de patiënt in de stervensfase verkeert (zie hoofdlijnen van de wet: melding en toetsing);

• Er is geen behandelrelatie tussen arts en patiënt vereist (zie uitvoerend arts);

• Het is niet vereist dat de patiënt een verzoek om euthanasie, behalve mondeling, ook schriftelijk doet (zie vrijwillig en weloverwogen verzoek);

• Het verzoek van de patiënt dient weloverwogen te zijn, maar hoeft in beginsel niet duurzaam te zijn (zie vrijwillig en weloverwogen verzoek);

• Voor het inwilligen van een euthanasieverzoek is geen ‘toestemming’ van de consulent nodig (zie onafhankelijke consulent);

• De beoordeling van de wilsbekwaamheid van een patiënt hoeft niet in alle gevallen door een terzake deskundige arts te geschieden, maar alleen als er gerede twijfel bestaat over die wilsbekwaamheid (zie ook minderjarige patiënten, patiënten met een psychiatrische aandoening, patiënten met dementie en patiënten met een verstandelijke beperking);

• Palliatieve sedatie geldt niet als ‘redelijke andere oplossing’ in de zin van art. 2 lid 1 onder d WTL (zie euthanasie en palliatieve sedatie);

• Het is doorgaans wenselijk en vanzelfsprekend om de familie bij een euthanasieverzoek te betrekken, maar dat is niet vereist, laat staan dat de familie zou moeten instemmen met de euthanasie. Dit ligt anders bij minderjarige patiënten.