Vrijwillig verzoek

Het verzoek van de patiënt moet vrijwillig zijn. Aan de vrijwilligheid zitten twee aspecten.

In de eerste plaats moet het verzoek zijn gedaan zonder onaanvaardbare invloed van anderen (externe vrijwilligheid). De arts moet zich ervan overtuigen dat van dergelijke invloed geen sprake is. Aandacht vraagt ook de situatie waarin een naaste van de patiënt zich te nadrukkelijk mengt in het gesprek tussen arts en patiënt, of voortdurend antwoorden geeft die de arts van de patiënt zelf wil vernemen. Dergelijke omstandigheden kunnen het nodig maken dat de arts ook onder vier ogen met de patiënt spreekt. Dat een patiënt zelf meent een belasting voor anderen te zijn en mede om die reden om euthanasie verzoekt, hoeft echter niet te betekenen dat daarom van vrijwilligheid geen sprake is. Het gevoel een belasting voor anderen te zijn, kan bijdragen aan de door de patiënt ervaren ondraaglijkheid van het lijden.

In de tweede plaats moet de patiënt wilsbekwaam zijn (interne vrijwilligheid). In de parlementaire stukken bij de WTL wordt bij herhaling aangegeven dat de patiënt wilsbekwaam moet zijn om een euthanasieverzoek te doen; zie bv. Kamerstukken II, 1999-2000, 26691, nr. 6, p. 5-7.

Een wilsbekwame patiënt is in staat op begrijpelijke wijze te communiceren over zijn euthanasieverzoek. Hij kan de relevante (medische) informatie begrijpen. Patiënt heeft ziekte-inzicht: hij kan zijn situatie en de gevolgen van euthanasie en van eventuele behandelingsalternatieven overzien. Patiënt is in staat duidelijk te maken waarom hij euthanasie wil. Wilsbekwaamheid kan fluctueren in de tijd. Ook kan een patiënt tegelijk wilsbekwaam zijn voor de ene beslissing (bijvoorbeeld een verzoek om euthanasie), en onbekwaam voor de andere (bijvoorbeeld het beheer van financiën). Dat komt ook tot uiting in hetgeen de Wet op de Geneeskundige Behandelingsovereenkomst (art. 7:465 BW) als uitgangspunt voor wilsbekwaamheid neemt, namelijk dat de patiënt in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake van de beslissing die aan de orde is. Wilsbekwaamheid veronderstelt dus dat de patiënt relevante informatie over zijn situatie en prognose kan begrijpen, de eventuele alternatieven kan afwegen en de gevolgen van zijn beslissing kan overzien. Zie de Handreiking voor de beoordeling van wilsbekwaamheid.

Als een patiënt wilsonbekwaam is, voorziet de Wet op de Geneeskundige Behandelingsovereenkomst (WGBO) er in dat zijn vertegenwoordiger namens hem geïnformeerde toestemming kan geven voor een bepaalde medische verrichting. Bij een verzoek om euthanasie is vertegenwoordiging niet mogelijk; de patiënt moet derhalve zelf in staat zijn om de reikwijdte van een dergelijk verzoek te overzien, de informatie over zijn prognose en de alternatieven te begrijpen, en ter zake zelf tot een beslissing te komen. Indien een patiënt niet meer wilsbekwaam is, kan een eerder opgestelde schriftelijke wilsverklaring, opgesteld toen hij nog wel wilsbekwaam was, in de plaats treden van een mondeling verzoek.

In veel gevallen zal er geen twijfel zijn over de wilsbekwaamheid van de patiënt ter zake van zijn euthanasieverzoek. In bepaalde gevallen en bij bepaalde ziektebeelden zal het echter noodzakelijk zijn expliciet en uitvoeriger stil te staan bij de wilsbekwaamheid. Bij twijfel over de wilsbekwaamheid van de patiënt ligt het voor de hand dat de arts specifiek daarover advies van een deskundige collega vraagt. Dit adviesverzoek kan een onderdeel zijn van de vraagstelling aan de consulent als bedoeld in art. 2 lid 1 onder e WTL, maar de wilsbekwaamheid kan voorafgaand daaraan ook door een ter zake deskundige arts worden beoordeeld.

> zie over specifieke patiëntengroepen:
Patiënten met een psychiatriche aandoening
Patiënten met dementie
Patiënten met een verstandelijke beperking