Vrijwillig en weloverwogen verzoek

De wet bepaalt dat de arts de overtuiging moet hebben gekregen dat er sprake is van een vrijwillig en weloverwogen verzoek van de patiënt. De wet schrijft niet voor dat het moet gaan om een schriftelijk verzoek. Een mondeling verzoek volstaat.

Uit de wet vloeit voort dat de patiënt zelf het verzoek moet doen. Een verzoek om euthanasie dat namens de patiënt door anderen wordt gedaan, kan niet worden gehonoreerd. Het is dus niet mogelijk dat een patiënt een ander machtigt om namens hem een verzoek om euthanasie te doen. Uitgangspunt is dat de patiënt zelf om euthanasie moet verzoeken; zie Kamerstukken II, 1998-1999, 26691, nr. 3, p. 9. Wel kunnen anderen een arts erop attenderen dat de patiënt een wens tot euthanasie heeft, zodat de arts daarover met de patiënt in gesprek kan gaan of, als de patiënt niet meer tot communicatie in staat is, een eventuele schriftelijke wilsverklaring kan beoordelen.

In alle gevallen moet duidelijk zijn dat het verzoek door de patiënt zelf is geuit. Een verzoek kan al ruimschoots voor de uitvoering door een patiënt kenbaar worden gemaakt, maar in situaties waarin het ziektebeeld van de patiënt snel verslechtert kan het tijdsverloop tussen verzoek en uitvoering (zeer) kort zijn. Dit laatste betekent dat een verzoek niet per se ‘duurzaam’ hoeft te zijn, in de zin dat het verzoek pas kan worden ingewilligd als het langere tijd wordt gehandhaafd.

Aarzelingen bij de patiënt met betrekking tot euthanasie komen regelmatig voor, maar uiteindelijk moet het verzoek in de ogen van de arts ondubbelzinnig en consistent zijn. De meeste patiënten zijn tot het moment van de uitvoering van de euthanasie in staat tot normale (verbale) communicatie. In een aantal gevallen kan het communicatievermogen van de patiënt door diens ziekte echter (sterk) afnemen of bemoeilijkt worden. Daarbij kunnen uiteenlopende situaties aan de orde zijn, bijvoorbeeld:

  • de patiënt kan het verzoek niet meer onder woorden brengen, maar nog wel op andere manieren communiceren (bijvoorbeeld door handgebaren, door te knikken, door in een hand te knijpen in reactie opgesloten vragen van de arts of met behulp van een spraakcomputer);
  • de patiënt kan het verzoek nog wel uiten, maar niet meer beargumenteren. In al deze gevallen gaat het er om dat op basis van de uitingen die de patiënt nog wel kan doen en door diens gedrag voldoende aannemelijk wordt dat sprake is van een (gecontinueerd) verzoek. De uitingen waartoe de patiënt op dat moment nog wel in staat is, kunnen dan worden beoordeeld in samenhang met eerdere (schriftelijke) verklaringen, gedragingen of signalen van de patiënt. In de situatie waarin de communicatie met patiënt moeilijk of niet meer mogelijk is, kan een (eerder opgestelde) schriftelijke wilsverklaring in de plaats treden van het mondelinge verzoek van de patiënt.  (zie meer over de schriftelijke wilsverklaring)
Streamer 1