Medische grondslag van het lijden

De arts moet de overtuiging krijgen dat er sprake is van uitzichtloos en ondraaglijk lijden van de patiënt. Uit de parlementaire geschiedenis van de WTL blijkt dat aan het lijden een medische dimensie moet zitten (zie MvA Kamerstukken I 2000-2001, 26691, nr. 137b, p. 32-34).

Voltooid leven (zie Handelingen II 23 november 2000, TK 27-2254, waarin wordt gesproken over “klaar met leven”) valt buiten het bereik van de wet. Deze problematiek valt buiten het medisch domein; het ontbreekt de arts aan specifieke deskundigheid die nodig is om daarover te kunnen oordelen. In het Brongersma-arrest uit 2002 heeft de Hoge Raad onder verwijzing naar de parlementaire geschiedenis het standpunt ingenomen dat het lijden van de patiënt in overwegende mate moet voortkomen uit een of meer medisch geclassificeerde ziektes of aandoeningen.

Ook herhaalde de Hoge Raad zijn standpunt uit het Chabot-arrest uit 1994 dat de aandoening zowel somatisch als psychisch van aard kan zijn. Nadien is de KNMG tot het standpunt gekomen dat bij het beoordelen van het lijden in het kader van levensbeëindiging door artsen er (mede) sprake moet zijn van een medische grondslag (zie KNMG-standpunt ‘De rol van de arts bij het zelfgekozen levenseinde’ (2011), paragraaf 2.5 Medische grondslag p. 27 e.v.).

Naar aanleiding van het Brongersma-arrest en het KNMG-standpunt hanteren de RTE als uitgangspunt dat het lijden een medische grondslag moet hebben; het moet gaan om lijden dat binnen het domein, dat wil zeggen de  verantwoordelijkheid en deskundigheid, van de arts valt. Er moet een toestand zijn die kan worden aangemerkt als ziekte of aandoening.

Het hoeft echter niet te gaan om één overheersend of levensbedreigend medisch probleem. Zo kan de patiënt twee (of meer) ziektes hebben. De medische grondslag van het lijden is dan gelegen in de combinatie van deze aandoeningen.