Werkwijze van de commissies

Er zijn vijf regionale toetsingscommissies: voor Groningen/Friesland/Drenthe/BES-eilanden, voor Overijssel/Gelderland/Utrecht/Flevoland, voor Noord-Holland, voor Zuid-Holland/Zeeland en voor Noord-Brabant/Limburg. Zie hier voor de samenstelling en de locaties van deze commissies.

80 % van de meldingen

De commissies beoordelen de binnengekomen meldingen op basis van het beredeneerd verslag van de uitvoerend arts (het ‘beredeneerd verslag’ is een wettelijke eis, opgenomen in art. 7 lid 2 van de Wet op de lijkbezorging. Het niet voldoen aan deze eis is een overtreding (art. 81 Wet op de lijkbezorging)), het daarbij gevoegde verslag van de consulent en overige relevante stukken (zoals patiëntendossier, specialistenbrieven en/of een schriftelijke wilsverklaring).

De commissies maken onderscheid tussen ‘niet vragen oproepende’ meldingen (NVO’s, ongeveer 80% van de zaken) en ‘vragen oproepende’ meldingen (VO’s, ongeveer 20 % van de zaken).

20% van de meldingen

Commissieleden beoordelen NVO’s digitaal. Zij kunnen daarover onderling overleggen via een beveiligd digitaal systeem. NVO’s worden niet ter vergadering besproken. Rijzen tijdens de digitale afdoening van een NVO vragen, dan wordt de NVO alsnog een VO.

VO’s worden tijdens de commissievergadering besproken. Of een melding als VO wordt aangemerkt, wordt bepaald door de vragen die een bepaalde casus oproept, bijvoorbeeld omdat het gaat om complexe kwesties of omdat het dossier op bepaalde punten vragen oproept. De arts moet antwoord geven op de vragen die in het modelverslag worden gesteld.

1% van de meldingen

Mondelinge toelichting

In gevallen waarin de verstrekte informatie onvolledig is of vragen oproept, kan de commissie de uitvoerend arts of de consulent bellen en vragen om nadere informatie. De commissie kan de arts of de consulent verzoeken de informatie schriftelijk aan te vullen.

Ook kan de commissie de arts of de consulent uitnodigen voor een toelichtend gesprek. Van dit gesprek wordt een verslag gemaakt, dat aan betrokkene voor eventueel commentaar wordt gezonden. Tijdens het gesprek mag de arts zich desgewenst door iemand laten vergezellen.

De commissies realiseren zich dat zo’n gesprek met een commissie voor de arts een grote belasting kan zijn. Een mondelinge toelichting kan echter nodig zijn voor het ophelderen van onduidelijkheden.In sommige gevallen kan zo’n toelichting onontbeerlijk zijn voor een goede beoordeling. Als de commissie overweegt te oordelen dat de arts niet overeenkomstig de zorgvuldigheidseisen heeft gehandeld, wordt de arts voorafgaand aan het nemen van dat besluit altijd uitgenodigd voor een gesprek; daarmee wordt hem de gelegenheid geboden zijn handelen nader toe te lichten. Van dit gesprek wordt een verslag gemaakt, dat aan betrokkene voor eventueel commentaar wordt gezonden.

Harmonisatie oordelen

Blijft de commissie na het gesprek met de arts bij haar voorgenomen oordeel, dan wordt dit conceptoordeel vervolgens voor advies voorgelegd aan alle leden van de RTE. Het is vervolgens aan de commissie om tot een definitief oordeel te komen.

Ook in andere gevallen kan worden besloten een conceptoordeel aan de leden van alle commissies voor te leggen. Te denken valt aan oordelen over complexe zaken, of over zaken waarin nieuwe (rechts)vragen aan de orde zijn. Op die manier streven de commissies naar harmonisatie van hun oordelen, ten behoeve van rechtszekerheid en rechtseenheid.

Reflectiekamer

De RTE hebben in 2017 een interne reflectiekamer ingesteld die adviezen uitbrengt over rechtsvragen, onder meer met het doel om de onderlinge afstemming en consistentie van uitspraken verder te bevorderen. De reflectiekamer komt in actie als een commissie advies vraagt over een bepaalde kwestie. Het is vervolgens aan die commissie om te bepalen wat zij met dat advies doet. De commissie brengt haar oordeel in beginsel binnen zes weken na ontvangst van de melding ter kennis van de arts. Deze periode kan met zes weken worden verlengd als omstandigheden dat nodig maken. De commissie brengt de arts van dat uitstel op de hoogte.

Klachtenregeling

De RTE hebben sinds 2015 een klachtenregeling. Op grond daarvan is een onafhankelijke klachtencommissie ingesteld ter behandeling van door hen ontvangen klachten. Meldend artsen, consulenten, lijkschouwers en andere hulpverleners, voor zover zij partij of belanghebbende zijn bij een melding van levensbeëindiging op verzoek of hulp bij zelfdoding, kunnen een klacht indienen. Klachten kunnen alleen betrekking hebben op bejegening door leden of medewerkers van de RTE. Klachten die gaan over de inhoud en de motivering van het oordeel van een commissie worden niet in behandeling genomen.