Hoofdlijnen van de wet: melding en toetsing

Melden van euthanasie

De arts dient een uitgevoerde euthanasie te melden bij de gemeentelijke lijkschouwer. Hij gebruikt het daarvoor bedoelde formulier en overhandigt dat bij de schouw. Hij geeft ook het door hem opgestelde beredeneerd modelverslag, samen met het verslag van de consulent, aan de lijkschouwer (zie Wet op de lijkbezorging, artikel 7 lid 2).

Meestal levert de arts ook andere informatie aan, zoals (delen van) het patiëntendossier, specialistenbrieven en, indien aanwezig, een schriftelijke wilsverklaring. De gemeentelijke lijkschouwer stuurt de melding met de bijbehorende stukken ter beoordeling naar de commissie in wier regio de euthanasie is uitgevoerd. Het is aan de commissie om de verslaglegging en de gang van zaken rond de euthanasie te toetsen. De commissie kan daarbij zo nodig ook inlichtingen inwinnen bij de gemeentelijk lijkschouwer.

Rol OM en IGJ

Komt de commissie tot het oordeel dat de arts aan alle vereisten heeft voldaan, en dus zorgvuldig heeft gehandeld, dan bericht zij dat schriftelijk aan de arts. Daarmee eindigt de toetsing en beoordeling. Is de commissie  echter van mening dat de arts een of meer zorgvuldigheidseisen niet heeft nageleefd, dan krijgt de arts ook daarvan schriftelijk bericht. De wet schrijft voor dat in dit geval de commissie haar oordeel ter kennis brengt van het Openbaar Ministerie (OM) en de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ).. Zaken die door een commissie als zorgvuldig worden beoordeeld, worden niet aan het OM en de IGJ doorgezonden. Het is mogelijk dat deze instanties langs andere weg (bijvoorbeeld de melding van een derde) van een dergelijke zaak op de hoogte raken. In dat geval hebben beide instanties de bevoegdheid om de zaak in onderzoek te nemen. Zij beoordelen dan welke stappen ze geraden achten.

De commissies toetsen de zorgvuldigheid van het handelen van de meldende arts. Zij toetsen aan de wet, de wetsgeschiedenis en de relevante jurisprudentie. Zij houden daarbij ook rekening met eerdere uitspraken van de commissies, met (medisch) professionele richtlijnen en met beslissingen van het OM en de IGJ in gevallen waarin een commissie oordeelde dat de arts niet conform de zorgvuldigheidseisen had gehandeld.

Volle en marginale toetsing

De commissies gaan na of aan alle hiervoor genoemde zorgvuldigheidseisen is voldaan. Voor de zorgvuldigheidseisen 3, 5 en 6 gaat het om wat juristen een ‘volle toetsing’ noemen. De commissies beoordelen of de arts de patiënt heeft voorgelicht, of hij ten minste één onafhankelijke arts heeft geraadpleegd en of hij de euthanasie medisch zorgvuldig heeft uitgevoerd.

Bij de zorgvuldigheidseisen 1, 2 en 4 toetsen de commissies of de arts in redelijkheid tot de overtuiging kon komen dat er sprake was van een vrijwillig en weloverwogen verzoek, van uitzichtloos en ondraaglijk lijden en dat er geen redelijke andere oplossing was. Juristen noemen dat ‘marginale toetsing’.