Betekenis van de medisch-professionele richtlijnen

Binnen de medische beroepsgroep zijn verscheidene richtlijnen ontwikkeld die van belang zijn wanneer een arts een standpunt moet bepalen met betrekking tot een verzoek van een patiënt om euthanasie. Deze richtlijnen zijn doorgaans behulpzaam bij het interpreteren van de algemeen geformuleerde wettelijke zorgvuldigheidseisen.

Er is één richtlijn waarnaar de commissies expliciet verwijzen. Dit is de Richtlijn Uitvoering euthanasie en hulp bij zelfdoding van de KNMG en KNMP (2012). Deze richtlijn is van belang bij de toetsing aan de  zorgvuldigheidseis dat de euthanasie medisch zorgvuldig moet zijn uitgevoerd. Daarbij gaat het onder meer om de keuze van de middelen, de dosering daarvan en ook om de controle van de diepte van het coma.

Zeker gelet op de verwijzing in deze zorgvuldigheidseis naar ‘medisch’ zorgvuldige uitvoering ligt het voor de hand dat de commissie zich oriënteert op de standaard die door de beroepsgroepen (artsen en apothekers) ter zake is opgesteld. Bij het beoordelen van meldingen van euthanasie heeft de commissie een eigen, op de wet gebaseerde verantwoordelijkheid. Dat betekent dat medisch-professionele richtlijnen van belang zijn voor zover zij passen binnen het wettelijk kader.

Het kan voorkomen dat er een verschil bestaat tussen een richtlijn en de wet, meer in het bijzonder dat de richtlijn strengere eisen stelt dan de wet; in dat geval is voor de commissie de wet doorslaggevend. (Zie ook de brief die de minister van VWS op 4 juli 2014 naar de Tweede Kamer zond).

Ook kan het zijn dat er in die richtlijnen aspecten aan de orde komen waar de arts in het kader van zijn professionele verantwoordelijkheid wel rekening mee moet houden, maar die in het kader van een beoordeling door de commissie niet van belang zijn (te denken valt aan de in het tuchtrecht geformuleerde zorgvuldigheid die een arts in acht moet nemen jegens de familie van een patiënt. Zie bijvoorbeeld Regionaal Tuchtcollege Zwolle 18 mei 2006, GJ 2006/135 en  Regionaal Tuchtcollege Den Haag 23 oktober 2012, GJ 2013/8).

In zo’n geval kan het voorkomen dat de commissie oordeelt dat de arts aan de zorgvuldigheidseisen heeft voldaan, terwijl hij niet volledig conform professionele normen van zijn beroepsgroep heeft gehandeld.