Overige zorgvuldigheidseisen "van overeenkomstige toepassing"

Art. 2 lid 2 WTL bepaalt dat in het geval van een schriftelijke wilsverklaring de in art. 2 lid 1 WTL genoemde zorgvuldigheidseisen van overeenkomstige toepassing zijn. Dat betekent volgens de wetsgeschiedenis dat de zorgvuldigheidseisen “zoveel als feitelijk mogelijk is in de gegeven situatie van toepassing zijn” (aldus de toelichting op het amendement dat leidde tot de opneming in art. 2 lid 2 WTL van de zinsnede over de “overeenkomstige toepassing” (Kamerstukken II, 26691, nr. 35).

Dit betekent dat bij het beoordelen van de zorgvuldigheidseisen rekening gehouden moet worden met de specifieke omstandigheden, zoals het gegeven dat communicatie met de patiënt niet meer mogelijk is en de patiënt dus geen vragen meer kan beantwoorden. Doorgaans zal de arts al contact hebben gehad met de patiënt toen deze nog wel in staat was zijn wil te uiten. Ontstaat nadien een situatie waarin de schriftelijke wilsverklaring van de patiënt een rol gaat spelen, dan zal de informatie uit de eerdere mondelinge contacten met de patiënt voor de arts bijzonder waardevol zijn.

De schriftelijke wilsverklaring vervangt het mondelinge verzoek. De overige zorgvuldigheidseisen zijn dan van “overeenkomstige toepassing”. In het algemeen kan daarover het volgende worden opgemerkt:

  1. Het verzoek van de patiënt moet vrijwillig en weloverwogen zijn: de arts zal op grond van zijn eerdere contacten kunnen beoordelen of er gesproken kan worden van een ‘vrijwillige en weloverwogen’ wilsverklaring. Het feit dat de patiënt een wilsverklaring heeft opgesteld en deze wellicht – zolang dat kon – herhaalde en bevestigde kan als een duidelijke indicatie voor de vrijwilligheid en de weloverwogenheid worden opgevat. De arts kan zijn gesprekken met de familie of vertegenwoordigers van de patiënt laten meewegen in zijn besluitvorming;
  2. Het lijden moet uitzichtloos en ondraaglijk zijn: de wilsverklaring vervangt een mondeling verzoek, maar laat onverlet dat er ten tijde van de uitvoering van de levensbeëindiging op verzoek sprake moet zijn van een situatie waarin aannemelijk is dat de patiënt ondraaglijk lijden ervaart;
  3. De patiënt is voorgelicht over zijn situatie en vooruitzichten: relevant is dat de arts weet dat de patiënt, toen met hem nog wel mondelinge communicatie mogelijk was, over zijn situatie en vooruitzichten is voorgelicht;
  4. Er is geen redelijke andere oplossing:  zoals eerder gezegd gaat het hierbij om een gezamenlijke opvatting van arts en patiënt. Veel betekenis komt dus toe aan hetgeen de patiënt hierover in zijn schriftelijke wilsverklaring heeft opgenomen en er over gezegd heeft toen met hem nog wel communicatie mogelijk was;
  5. De onafhankelijke consulent: de wet schrijft voor dat de consulent de patiënt ziet. Dat is ook in deze situatie mogelijk. Van communicatie tussen consulent en patiënt zal niet of nauwelijks sprake zijn. Dat betekent dat de consulent naast zijn eigen observatie, ook informatie van de arts en aanvullende informatie van anderen dan de arts zal moeten gebruiken om tot een oordeel te komen en zijn verslag te maken. Daarbij kan het gaan om het patiëntendossier en mondelinge informatie van de arts, specialistenbrieven, de inhoud van de wilsverklaring en gesprekken met naasten en/of verzorgenden;
    > zie ook onafhankelijke consulent
    > zie ook coma/verlaagd bewustzijn
  6. Medisch zorgvuldige uitvoering: deze zorgvuldigheidseis levert in de meeste situaties van levensbeëindiging op basis van een schriftelijke wilsverklaring geen bijzonderheden op. Echter, in de situatie waarin patiënt zich van de uitvoering van de euthanasie niet meer bewust is (dit kan onder andere het geval zijn bij patiënten in een stadium van zeer vergevorderde dementie) kan het voorkomen dat de patiënt als reactie op pijn of van schrik weerstand lijkt te bieden. De wet noch de wetsgeschiedenis bieden aanknopingspunten hoe dan te handelen. Algemene regels zijn op dit punt daarom niet te geven. Als de arts verwacht dat de patiënt bij de uitvoering met pijn- of schrikreacties zou kunnen reageren, is het geven van premedicatie (bijvoorbeeld in de vorm van midazolam) niet ongebruikelijk. Het kan dan onderdeel zijn van goed medisch handelen. Dat neemt echter niet weg dat een en ander in elk specifiek geval aan de hand van de concrete omstandigheden van dat geval zal moeten worden beoordeeld, waarbij een vraag onder meer zal zijn met welk doel de premedicatie is toegediend. Met betrekking tot de beoordeling van deze punten is een goede dossiervorming door de arts van groot belang.

De wilsverklaring zoals geregeld in art. 2 lid 2 WTL geldt als de wil van de patiënt. In gevallen waarin de inhoud van de wilsverklaring overeenstemt met mondelinge uitingen van de patiënt, toen deze nog wilsbekwaam was, zal dit doorgaans geen vragen oproepen. Ook als de patiënt niet meer op een normale manier kan communiceren, kan er sprake zijn van verbale of fysieke uitingen van de patiënt die kunnen worden geïnterpreteerd als liggend in het verlengde van diens eerder geuite wensen. Die uitingen ondersteunen dan de wilsverklaring. Het kan voorkomen dat een wilsonbekwame patiënt die een schriftelijke wilsverklaring heeft opgesteld toen hij nog wel wilsbekwaam was en die in een situatie verkeert die hij in zijn verklaring heeft beschreven en waarin aan alle zorgvuldigheidseisen is voldaan, zich niet bewust is van de uitvoering van de levensbeëindiging. De arts moet dan alert zijn op uitingen die wijzen op bezwaar tegen levensbeëindiging. AIs daarvan sprake is, dan kan uitvoering van de euthanasie niet plaatsvinden.

> zie ook patiënten met dementie
> zie ook patiënten met afasie
> zie ook coma/verlaagd bewustzijn
> zie ook euthanasie en palliatieve sedatie