Inhoud van de schriftelijke wilsverklaring

De schriftelijke wilsverklaring kan een mondeling verzoek vervangen, maar ook een rol spelen bij het bepalen van het moment waarop tot levensbeëindiging wordt overgegaan. Dat hangt af van de specifieke inhoud van de wilsverklaring. Belangrijk is dat de patiënt zo duidelijk mogelijk in de wilsverklaring aangeeft onder welke concrete omstandigheden zijn verzoek ten uitvoer zou moeten worden gebracht.

Het moet gaan om omstandigheden waarin gesproken kan worden van door de patiënt ervaren ondraaglijk lijden (zie hier een uitzondering op de regel dat de patiënt lijden moet ervaren). Bij het beoordelen van het lijden speelt de inhoud van de schriftelijke wilsverklaring een belangrijkerol. Daarnaast zijn van belang het gedrag van de patiënt en hetgeen onder artsen in algemene zin bekend is over de gevolgen voor een patiënt van een bepaald ziekteproces.

De wet stelt niet de eis dat een eenmaal opgestelde schriftelijke wilsverklaring een bepaalde geldigheidsduur heeft of op gezette tijden moet worden geactualiseerd. Hoe ouder echter de wilsverklaring is, hoe meer twijfel mogelijk is over de vraag of deze nog wel weergeeft wat de patiënt werkelijk wilde. In gevallen waarin de patiënt de wilsverklaring heeft geactualiseerd, of na het opstellen ervan mondeling de inhoud heeft herbevestigd, zal aan de verklaring meer waarde kunnen worden gehecht dan wanneer dat niet het geval is.

Het is van belang dat de patiënt de schriftelijke wilsverklaring tijdig opstelt, op gezette tijden actualiseert en daarin zo veel mogelijk de concrete omstandigheden beschrijft waarin hij wil dat de levensbeëindiging wordt uitgevoerd. Het is de verantwoordelijkheid van de patiënt de wilsverklaring ten tijde van het opstellen en het actualiseren daarvan, met de arts te bespreken. De arts dient deze informatie in het dossier op te nemen. Een persoonlijk opgestelde verklaring van de patiënt, waarin deze een beschrijving in eigen woorden geeft, heeft doorgaans meer betekenis dan een voorgedrukt formulier.

Belangrijk is dus:

  • de mate waarin of de wijze waarop de patiënt in de periode waarin hij wilsbekwaam was zijn eerdere schriftelijke verklaring (verbaal of non-verbaal) heeft herbevestigd;
  • dat in de periode waarin hij zich niet meer (goed) kon uiten niets is gebleken van uitingen van de patiënt die haaks staan op de inhoud van de wilsverklaring;
  • dat ten tijde van uitvoering van de levensbeëindiging op verzoek sprake is van de situatie waarop de patiënt in zijn schriftelijke wilsverklaring het oog had.

Alle feiten en omstandigheden tezamen genomen moet gesproken kunnen worden van een in de loop van de tijd zodanig consistent beeld van het euthanasieverzoek van patiënt, dat de schriftelijke wilsverklaring redelijkerwijs kan worden opgevat als wil van de patiënt ten tijde van de uitvoering van de levensbeëindiging.