Euthanasie en palliatieve sedatie

Euthanasie en palliatieve sedatie zijn twee verschillende manieren om het ondraaglijk lijden van de patiënt te beëindigen dan wel te verminderen. Bij euthanasie gebeurt dat door het leven te (laten) beëindigen en bij palliatieve sedatie door de patiënt tot het moment van overlijden in een toestand van verlaagd bewustzijn te brengen.

Palliatieve sedatie behoort, in tegenstelling tot euthanasie, tot het normale medische handelen, maar is wel aan bijzondere voorwaarden gebonden. Eén van de voorwaarden is een levensverwachting van twee weken of minder (zie KNMG-richtlijn Palliatieve sedatie. Utrecht, 2009).

Patiënten die in een situatie van ondraaglijk lijden verkeren, kunnen een verzoek om euthanasie doen, maar kunnen soms ook kiezen voor palliatieve sedatie. Sommige patiënten voelen niet voor euthanasie; voor hen kan palliatieve sedatie een goed alternatief zijn. Andere patiënten willen tot het laatste moment helder zijn en wijzen om die reden palliatieve sedatie af. De patiënt mag dan ook concluderen dat palliatieve sedatie geen ‘redelijke andere oplossing’ is. Een afwijzing van palliatieve sedatie is dan ook geen belemmering voor de uitvoering van een verzoek om euthanasie.

> zie ook ontbreken van een redelijke andere oplossing

Het komt ook voor dat een patiënt een ‘conditioneel’ euthanasieverzoek doet. Hierbij wordt in eerste instantie palliatieve sedatie ingezet, maar wordt afgesproken dat levensbeëindiging alsnog wordt uitgevoerd als zich bepaalde omstandigheden voordoen. Te denken valt aan:

- de situatie dat het overlijden langer op zich laat wachten dan de patiënt wenste. (In dit geval kan worden gesteld dat de toestemming van de patiënt voor het continueren van de palliatieve sedatie ontbreekt. Het gaat daarbij om toestemming als bedoeld in de WGBO (art. 7:450 lid 1 BW);

- de situatie dat patiënt, ondanks het verlagen van zijn bewustzijn, nog tekenen van lijden vertoont.

De commissies achten het van groot belang dat de patiënt zelf van tevoren aan de arts uitdrukkelijk de omstandigheden aangeeft waaronder zijn instemming met de palliatieve sedatie niet langer geldt en hij wenst dat zijn euthanasieverzoek alsnog wordt ingewilligd. Ook zal de arts in dergelijke situaties moeten bepalen op welk moment, in beginsel voorafgaand aan de palliatieve sedatie, de consulent het beste kan worden ingeschakeld.

Ook komt het voor dat afgesproken is uitvoering te geven aan een verzoek van de patiënt om euthanasie, maar dat voorafgaand aan die uitvoering sedatie wordt toegepast. Een dergelijke situatie kan zich voordoen wanneer de klachten van patiënt plotseling verergeren, maar uitvoering van de euthanasie nog niet mogelijk is, bijvoorbeeld omdat de arts afwezig is en de waarnemer de euthanasie niet kan of wil uitvoeren of omdat de arts nog niet de beschikking heeft over de euthanatica.

Patiënt wordt dan in een toestand van verlaagd bewustzijn gebracht en is daardoor niet meer in staat om direct voorafgaand aan de uitvoering van de euthanasie zijn euthanasieverzoek te herhalen of te bevestigen.

Euthanasie is mogelijk als patiënt voorafgaand aan de sedatie heeft herbevestigd dat hij om euthanasie verzoekt en alleen sedatie wil ter overbrugging van de periode tot het moment dat uitvoering van de euthanasie mogelijk is, maar ook als het gaat om een toestand die de patiënt eerder, mondeling of in een schriftelijke wilsverklaring, heeft aangemerkt als een situatie waarin hij om uitvoering van zijn eerdere euthanasieverzoek zou vragen.

Ook in deze gevallen is het naar de mening van de commissies inhumaan om de patiënt te laten ontwaken met het enkele doel om hem tegenover de arts en/of de consulent zijn ondraaglijk lijden te laten herbevestigen.